Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, en dan kunnen wij van avond nog op de vaart rijden, als moeder liet ten minste wil hebben,*' voegde Griete er bij.

„Maar, moeder, gij hebt nog wol noodig, en meel, en ...

„Kom, kom! Voor dat geld kan je niet alles koopen," hernam vrouw Brinker. „Ach! als ons gestolen geld maar terug was!" zuchtte zij. „Dan konden wij alles koopen en waren op eens uit allen nood."

„Gestolen geld?" zeide Hans op vragenden toon. „Meent gij dat geld, naar hetwelk gij jaren geleden de geheele hut hebt doorgezocht!"

„Juist, Hans. Maar dat zal wel nooit terugkomen."

„Misschien, als vader 't maar kon zeggen," hernam Hans.

„Ja, als die spreken kon," zuchtte de arme vrouw. „Ik ben altijd bang, dat hij voor dat geld het mooie gouden horloge heeft gekocht, dat wij sedert dien dag bewaren."

„Maar dat horloge was nog geen tiende part van de som waard, moeder!"

„Dat is waar. Daarenboven was je vader veel te zuinig en te verstandig om zoo iets te doen."

„Waar dat horloge toch vandaan is gekomen?" zeide Hans halfluid.

„Dat zullen wij wel nimmer te weten komen, Hans! Ik heb het je vader reeds zoo menigmaal laten zien, maaibij kan het niet onderscheiden van een aardappel. Toen hij dien vreeselijken avond thuis kwam om te eten, kort vóór hij werd opgeroepen om aan den dijk te werken, heeft hij het mij gegeven, en bevolen er goed zorg voor te dragen, totdat hij het terug zou eischen. Juist toen hij er nog meer van wilde zeggen, kwam Jan Belderbos hem roepen om terstond te komen, want dat de dijk gevaar liep. Je vader stond dadelijk op en snelde naar de plaats des gevaars. 't Was voor 't laatst, dat ik hem bij zijn verstand zag. Midden in den nacht werd hij thuis gebracht, bijna dood: want hij was op zijn achterhoofd neergekomen.

Sluiten