Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachen schudde. „Jij mee! Je hebt je valhoed uog niet eens voorgoed afgezet."

„Pas op je woorden, Jacob,' zeide Frans, die geducht op zijn teeneu getrapt was. „Voor jou is 't gelukkig, dat je ra kunt aflaten: want je heele lichaam lijkt wel een valhoed."

Allen lachten om dit snedige antwoord en boven allen klonk de goedhartige lach van Jacob uit.

„Nu moet hij mee! riep hij. „Iemand, die zoo snedig kan antwoorden, is een prettig gezelschap."

„Hoort eens, zei Peter van den Helm. „We moeten te Haarlem en te Leiden stilhouden, om je neef daar het merkwaardigste te laten zien, en wat Den Haag aangaat, daar kunnen we bij mijn getrouwde zuster logeeren. Die zal heel blij zijn, als zij ons ziet."

„Maar Piet,' zeide Jacob. „Met ons zoo velen!"

„O, ze is zulk een hartelijke ineid en haar man zulk een gulle kerel. Ze hebben een groot huis. En wat kwaad kunnen ze ons niet logeeren, dan gaan we in een logement. Maar ik zal haar van avond nog schrijven."

„Nu, dan is t mij goed. Maar wij moeten wat geld bij elkander leggen," hernam Jacob.

„Natuurlijk, antwoordde Peter. „Mij dunkt, vijf gulden ieder."

„Dat is goed," zeiden de anderen.

„En wie zal Je beurs bewaren?" vroeg Peter.

„Niemand anders dan jij. Jij zult onze kapitein zijn! Niet waar, jongens? zeide Karei Schimmel, die weer wilde goedmaken wat hij straks verkorven had, omdat hij het uitzicht had, in Den Haag bij Peter's zuster te logeeren.

„Hoezee! voor Peter! Peter zal onze kapitein zijn!" riepen allen.

„Welnu, ik neem t aan, mits mijn volk mij gehoorzaamt. En hoe laat zal morgen de tocht beginnen?"

„Om acht uren," riepen allen.

„Goed, en de verzamelplaats vóór de hut van Rolf

Sluiten