Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blinker. Ieder brenge gepast geld mee en dan — met moed op het ijs."

„Nu, mama zal maar niet in haar schik zijn, als zij hoort, dat wij zuster Van Gent gaan opzoeken," zeide Lodewijk tegen zijn broeder. „Maar we moesten naar huis gaan; anders bevriest mijn neus nog aan mijn aangezicht."

„Koukleum!" riep Karei Schimmel uit.

„Dat dankje den drommel, als je hier zoo stilstaat," zeide Lodewijk. „Ik heb het ten minste koud gekregen."

„'t Is dan ook buitengemeen koud," merkte Jacob Poot op. „En 't zal nog wel eenigen tijd aanhouden: want wij hebben wassende maan."

„Ues te beter voor onze reis," zei Frans van Bree.

„Nu, jongens! Tot morgen om acht uren. Goeden nacht."

Met deze woorden stoven zij uit elkander — ieder naar zijn huis met de blijde gedachte aan de aanstaande pret, die hen nog in den droom bezighield.

En waar waren Hans en Griete?

Die hadden ongeveer een uur gereden, terwijl zij zich op een afstand van de anderen hielden en zich met elkanders bijzijn vergenoegden. „O, hoe heerlijk is toch het denkbeeld, dat wij nu beiden schaatsen hebben!" riep Griete uit. — Daar hoorden zij iets.

't Was een gil, een akelige gil. Niemand op de vaart had dien gil opgemerkt; maar Hans voelde er de beteekenis van. Hij werd zoo bleek als een lijk, deed zoo spoedig hij kon zijn schaatsen af en snelde naar huis.

„'t Is vader," zeide hij tegen Griete. 'Hij heeft moeder doen schrikken."

En Griete bond ook haar schaatsen los en volgde Hans naar binnen.

„Allen present?" riep Peter van den Helm, toen men zich den volgenden morgen om acht uren, geheel uitgerust tot den grooten tocht, dien men wilde ondernemen, op de vaart verzamelde. „Ik zal de namen oproepen. Ieder

Sluiten