Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teloosheid hunner pogingen in. Zij reden dus wat meer op hun gemak.

„Vertel Ben wat van de tulpen, Frits," zeide Peter.

„Van de tulips?" vraagde Ben. „O, ja, Haarlem is het groot kweekplaats van tulips. Men zendt every year duizend to England."

„Juist," antwoordde Frits. „En daar is een tijd geweest, 't was in 1632, dat hier te lande een dwaze handel in tulpen werd gedreven. Men had menschen, die er zóóveel goud voor betaalden als zij op de schaal wogen."

„De menschen?" vroeg Ben.

„Wel neen, de tulpen. De eerste kwam hier uit Konstantinopel, omtrent het jaar 1560. Men vond die zoo mooi, dat de rijke kooplieden naar Turkije zonden om er meer te halen. Langzamerhand werd de liefhebberij in tulpen een ware woede. Enkele bollen werden voor drie a vier duizend gulden verkocht; één bol zelfs, de Semper Augustus, bracht vijf duizend vijfhonderd gulden op."

„Nu, dat is geld genoeg," vond Jacob Poot. „Ik heb mij wel eens laten vertellen, dat de kerk te Sassenheim van de opbrengst van twee tulpebollen gebouwd is."

„Ik herinner," zeide Ben in zijn gebroken Hollandsch, „dat in een duizend six honderd en dertig six een Maniabol is verkocht geweest voor seventy pound, d. i. achthonderd veertig guldens."

„'t Moet een rare tijd zijn geweest," merkte Lodewijk van den Helm aan. „Iedereen speculeerde in tulpen: de rijke koopman en de voddenraper, de echtgenoot van den Burgemeester en haar waschvrouw, de molenaar en de schoorsteenveger. Land, vee, juweelen, niets was te goed om tulpen voor te koopen. Eindelijk bemoeiden de StatenGeneraal er zich mede. Nu begonnen de prijzen te dalen. Duizenden werden in weinige dagen doodarm."

„Maar, jelui Hollanders doet nog beminnen de tulips very much," zeide Ben, „zooals ik heb gehoord."

„Zeker. Geen tuin, of wij moeten er tulpen in hebben,"

Sluiten