Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Had ik het maar alles in zilvergeld meegenomen, dan zou ik 't wel gemerkt hebben, toen ik het verloor. Nu kan je geen ontbijt, geen diner hebben! Wat nu te doen? 't Best zal wezen, dat ik naar Amsterdam terugrijd; daar ken ik wel menschen, die mij zooveel zullen leenen als ik noodig heb. Maar in dien tijd vallen we allen Hauw van den honger."

„'t Is wat te zeggen," riep Karei Schimmel uit. „Hoe kan je ook zoo dom zijn, Piet!"

„Ja, of je daar nu al over maalt, dat helpt niemendal," hernam Peter van den Helm. „Je zult er geen van allen een cent bij te kort komen. Maar 't malst is, dat je dit op 't oogenblik niet helpt. Is er niemand onder jelui, die hier in Haarlem iemand kent, die ons dertig gulden zou willen leenen?"

Ieder van de jongens zag vijf verlegen gezichten.

„Ik ken in Haarlem wel een paar menschen, die rijk zijn," zeide Karei Schimmel: „maar vader zou ongenadig boos zijn, als ik een cent van hen durfde leenen."

„'t Is jammer, dat Frans van Bree niet hier is," zeide Jacob Poot zuchtend. „Die zou wel raad weten."

„Hij was misschien een beter kapitein geweest dan ik," zuchtte Peter. „Maar hoe nu?"

„Als je je gouden horloge eens verkocht, Piet," zeide Karei Schimmel. „Daar zal je geld genoeg voor krijgen."

„Ik dank je," antwoordde Peter. „Dat kan ik niet doen. Mijn horloge verkoopen, dat ik van vader op mijn verjaardag heb gekregen? Dat nooit! Dan verkoop ik liever mijn jas."

„Kom, kom, spreek niet van verkoopen," zeide Jacob Poot. „We hebben nog wel zooveel klein geld op zak, om '»ii een bakker een paar broodjes te koopen; daarmee stillen we onzen honger, dan rijden we naar Broek terug en stellen den verderen tocht tot morgen uit."

„Jij hebt goed praten," bromde Karei. „Je zult wel weer tien gulden krijgen, maar mijn vader is zoo scheutig niet. 't Zal bij mij wel thuis blijven zijn."

Sluiten