Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesneden plank, waarop de quarto-bijbel met koperen sloten stond, nog een erfstuk van vrouw Brinker's vader.

„Wat is die Hans toch knap!" zeide zij. „En zoo sterk! Als hij hier was, kon hij vader eens omkeeren en dan hield het gesteun op. Ach! Ach! Als vader zoo ziek blijft, zal ik nooit meer schaatsen rijden. Ik zal mijn schaatsen maar teruggeven aan die mooie, jonge dame. Hans en ik zullen de harddraverij wel niet zien."

En Griete's oogen vulden zich met tranen.

„Huil maar niet Griete," zeide vrouw Brinker. „Je vader is wel eens meer zoo ziek geweest."

Griete barstte in tranen uit.

„O moeder, dat is het niet alleen! Gij weet nog niet alles — ik ben zeer slecht en goddeloos!"

„Jij Griete, jij, die zoo geduldig en zoet zijt? Maar huil zoo hard niet, kindlief, of je zoudt vader wakker maken."

Griete verborg haar gelaat in den schoot harer moeder en poogde niet hard te schreien.

Zij legde haar klein, mager bruin handje in de ruwe hand harer moeder. Kort daarna keek zij op met een vriendelijken, rustigen blik en zeide met een bevende stem:

„Vader heeft u willen verbranden — ik heb het gezien en hij lachte er om."

„Zwijg, kind!"

Vrouw Brinker zeide die woorden op zulk een snellen en scherpen toon, dat Rolf Brinker, levenloos als hij was voor al wat om hem voorviel, zich zacht op zijn bed bewoog.

Griete sprak geen woord meer, maar plukte treurig aan het brandgat in haar moeders japon. Gelukkig, dat die japon van wollen stof was!

Sluiten