Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE HOOFDSTUK.

Wat de jongens zoo al in Haarlem zagen.

Verzadigd en verkwikt, kwamen onze knapen uit liet koffiehuis, waar zij zich van het noodige voorzien hadden, juist toen de klok twee uren sloeg.

„Heb je je slaapmuts soms vergeten, grootvader? riep Lodewijk van den Helm tot den kapitein, die in gedachten verzonken was over de treurige historie, welke Hans Blinker hem had medegedeeld, en daardoor half droomend medeliep.

„Volstrekt niet, Lodewijk," antwoordde Peter, en zich tot de anderen richtende, commandeerde hij: „Vooruit, jongens! Deze straat in!"

„Zie je dat aardige roode speldenkussentje daar wel aan die deur hangen?" vroeg Frits Verdam aan Ben.

„Ik doe het zien. Maar wat is de meening van het?" vroeg de aangesprokene.

„Wel, dat zal ik je zeggen. Zoo'n ding noemen ze een klopper, en die betcekent, dat daar een kind geboren is. Is het kussentje geheel en al effen, zooals dit, dan wil 't zeggen, dat het een jongetje is. Is er daarentegen een wit papiertje ingeschoven, dan kan men er op aan, dat er een dochter is geboren."

„Very vreemd!" riep Ben uit, terwijl hij naar den klopper bleef kijken, die rijk met kant omzoomd was. „En doet gij kennen den oorsprong van dat gebruik?"

„Ieder Haarlemmer," zeide Frits Verdam, die er bij was gekomen, „zal 11 kunnen vertellen, dat dit afstamt van het jaar 1573, toen Haarlem, na een hardnekkige en moedige verdediging van zeven maanden, zich eindelijk aan den Spanjaard moest overgeven. De Spaansche bevelhebber, Frederik van Toledo, zou, naar men zegt, aan de bewoners van elk huis, waar zich een kraamvrouw bevond, veroor-

Sluiten