Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knapen, evenals het Haarlemsche publiek, door de voetpaden wandelden en naar de muziek luisterden.

't Was een schoon stuk, dat de kunstenaar uitvoerde: een heerlijken zomermorgen moest het voorstellen, waarbij het orgel zijn liefelijkste tonen deed hooren, afgewisseld door het gefluit der vogelen en de zuiverste akkoorden, die vriendelijk door de kerkgewelven rolden en waarbij de wandelaars als onwillekeurig stilstonden, om door het geslijfer hunner voetstappen zich zelf en anderen niet te hinderen. Maar eensklaps veranderde dat tooneel. 't Was of de stormwind door het kerkgebouw begon te loeien, de vogels zwegen, luider en luider werd de storm, vreeselijk rommelde de donder en daarbij hoorde men duidelijk het luiden der noodklok. De knapen hielden hun adem in en staarden elkander verbaasd aan. Want daar klonken op eens de stemmen der voxhumana, en 't was of duizend angstkreten door de St. Bavo weergalmden. — Maar — daar ruischt een zacht geluid, als een stem des engels — de storm bedaart — de liefelijke tonen zwellen als op de vleugelen der zefirs — de vogelen beginnen weder te zingen en alles wordt besloten met een psalm van lof en dank, die de harten tot aanbidden stemt.

Het orgel zweeg — en nog stonden de knapen daar beweging- en sprakeloos, 't Was alsof zij aan den grond genageld waren. Karei Schimmel was de eerste, die het stilzwijgen afbrak.

„Hoe lang zul je daar nog staan kijken, kapitein?" vroeg hij, terwijl hij Peter aanstiet, „'t Wordt hoog tijd, om op te stappen."

„Je hebt gelijk," antwoordde de aangesprokene, terwijl hij op zijn horloge keek. „Laat ons Jacob dan in het voorbijgaan aanroepen."

De dikke Jacob Poot echter was niet meer op de plaats, waar zij hem gelaten hadden. De bank, waarin hij was gaan zitten, was hem niet gemakkelijk genoeg en hij had een andere, meer afgezonderde opgezocht , waar zijn

Sluiten