Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Benjamin. „Want als je Haarlem op zijn mooist wil zien, dan moet je er in den zomer komen, wanneer 't een groote bloemtuin is."

„Komt dan, op reis!" riep Peter uit. En men wandelde de Zijlstraat door, het Zijlhek uit en naar de Leidsche vaart, waar zij hun schaatsen aanbonden en den tocht naar de stad van Van der Werf aanvingen.

„Jongens! Wie weet er nu wat van Haarlem te vertellen?" zeide Peter. „Dat kort den weg op."

„Ik wil u wat meedeelen," zeide Frits Verdam. „Laat ons dan wat langzaam en naast elkander rijden."

„Dat is goed," riepen allen en Frits begon:

„In heel veel vroeger tijden stond bij Haarlem een oud, sterk kasteel, welks slotheer een ware tiran was voor de poorters der stad en de omliggende dorpers, die allen van hem afhingen. Dit werd zóó geweldig, dat deze in opstand kwamen, zijn kasteel omringden en het belegerden. De nood op het slot steeg dermate, dat de wreedaard geen ander uitzicht had, dan zich aan het woedende volk over te geven, hetwelk hem in stukken zou hebben gescheurd. Daar verscheen op een der kanteelen een liefelijke gestalte, de vrouw van den slotheer. Was haar echtgenoot slecht voor zijn onderdanen, zij daarentegen was steeds een moeder voor hen geweest; geen arme, die haar om hulp had gevraagd, zou zij weggezonden hebben; zieken en nooddruftigen had zij verzorgd. Zoodra het volk haar zag, liet het de armen slap hangen, die het reeds had opgeheven, om den pijl te richten, welke het hart van den krijgsknecht moest doorboren, die 't wagen durfde, op den trans te verschijnen. „Ik ben altijd goed voor u geweest," zeide zij. „Welnu, veroorloof mij een vrijen uittocht en .sta mij toe, zooveel van mijn kostbaarheden mede te nemen als ik op mijn schouders kan dragen." „Dat is u toegestaan," riep men haar toe. — De poort gaat open, en daaruit komt de burchtvrouw, die op haar schouders torst.... Wat denkt gij?"

Sluiten