Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikken Leidenaar, die voor zijn brandewijn geen geld wilde aannemen, vriendelijk, en stapten in de slede, een kales, waarvan de wielen waren afgenomen en die op twee met ijzer beslagen balken was gevestigd. Zooals zij vernamen, had de voerman er eenige heeren en dames mee naar een buitenplaats gebracht en keerde hij ledig naar Leiden terug. Voor een gulden zou hij de knapen in de stad brengen.

„Hoe is 't nu, Jacob?" vroeg Benjamin, toen men eenige oogenblikken zat en de paarden in vollen draf waren.

„O, veel beter," antwoordde deze met een paar oogen, zoo lodderig als van een kabeljauw, die uit kraambewaren gaat.

„Je moet niet gaan slapen, Jacob," zei Frits. „'t Is te koud om in de open lucht te slapen. Je weet zelf zoo goed als ik, hoe gevaarlijk dat is."

„Ik denk aan geen slapen," antwoordde Jacob op goedigen toon, en twee minuten later sliep hij als een os.

Peter en Lodevvijk moesten er om lachen.

„We moeten wakker maken hem," zeide Ben, terwijl hij den dikkerd aan den arm schudde. „Jacob! Jacob!'

Daar drie van de jongens Ben hielpen om Jacob wakker te schudden, begreep kapitein Peter, dat hij er zich mee bemoeien moest.

„Laat hem slapen, jongens! Ben je mal, om hem zoo te schudden. Zoo snurkt men niet, als men doodvriest. Bedekt hem met iets warms. „Koetsier," zeide hij, „geef den pijjakker eens waar je op zit, om dien jongeheer voor de kou te beschutten."

Deze voldeed hieraan.

Peter bedekte Jacob met den pijjakker.

„Ziezoo," zeide hij, „laat hem nu maar slapen. Als hij wakker wordt, zal hij geheel en al beter zijn. Hoever zijn wij nog van Leiden?"

„Een klein half uurtje," antwoordde de veerman.

Toen zij Leiden's toren in 't gezicht kregen, werd Jacob wakker.

Sluiten