Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wandelde met zijn makkers de Breestraat op en keerde daarna in „De Roode Leeuw" terug, waar Jacob een tukje zat te doen en de beide anderen hen met een lekker kopje thee zaten te wachten.

Intusschen waren onze drie jongelieden niet meer de eenigen, die zich in de gelagkamer bevonden. Er waren twee mannen gekomen, blijkbaar voerlieden, hetgeen men bemerkte aan de lange zweepen, die tegen den schoorsteenmantel stonden. Peter kon niet zeggen, dat hij dit gezelschap heel pleizierig vond, en hij zag wel aan het gelaat van zijn makkers, dat zij er ook zoo over dachten. Frits Verdam, die bij een boekverkooper op de Breestraat een plaat gezien had, waarop eenige struikroovers bezig waren, een reisgezelschap uit te plunderen, fluisterde Peter in het oor: „Die eene kerel lijkt net op den roover, die in de Breestraat de arme dame de pistool op de borst zette." Karei Schimmel, die dat hoorde, keek angstig naar den hoek van den haard, waar de mannen half zaten te slapen. En inderdaad, een van de beide nieuw aangekomenen had wel iets in zich, 0111 vrees in te boezemen. Naar het scheen was hij de knecht van den andere, die een rond, vriendelijk gelaat had en dapper snurkte. Of hij echter werkelijk sliep, dan of hij zijn loerende oogen tusschenbeide op de welgekleede knapen wierp, durf ik niet verzekeren; wel, dat zijn verwilderd haar, zijn ongeschoren baard, zijn mager beenig gelaat, gevoegd bij zijn haveloozen pijjakker, zijn gelapte broek en smerige klompen, bijzonder geschikt waren, de vroolijke gesprekken der knapen te doen verstommen, zoodat zij op 't laatst bijna fluisterend spraken. Gelukkig dat beiden, na een drietal glazen jenever gedronken, een paar pijpen stinkende tabak gerookt en hun avondeten gebruikt te hebben, den kastelein bevalen, hun hun slaapplaats te wijzen, en met hem de gelagkamer verlieten.

„Goddank, dat zij weg zijn!" riep Karei Schimmel uit, toen de deur achter hen toeging. „Als 't zoo laat niet was

Sluiten