Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bit! Wat is dat koud! Hij trekt met wanhopige kracht aan de mummie. Tevergeefs. Laken, katoenen sprei en wollen deken, alles is als een muur om Jacob's dikke en slapende gestalte gewikkeld. Peter werpt een treurigen blik naar het door het maanlicht beschenen venster, daarna op den vloer.

„Heldere maneschijn!" denkt hij. „We zullen morgen mooi weer hebben op onze reis naar Den Haag. Sakkerloot! Wat is dat?"

Hij ziet de zwarte gedaante, die zich over den vloer beweegt of liever nu stilhoudt; want toen Peter zich bewoog, was zij onbeweeglijk gebleven.

Peter houdt zich doodstil en staart onafgewend op de donkere gedaante.

Weder beweegt zij zich, al nader en nader. Door het maanlicht kan de knaap haar duidelijk ouderscheiden, 't Is een man, die op handen en voeten kruipt.

De kapitein wil een luid geschreeuw aanheffen; doch hij bedenkt zich bijtijds.

De kerel heeft een blinkend mes in de hand. Dat is een leelijke zaak; maar onze Peter verliest zijn tegenwoordigheid van geest niet. Als de vent zijn hoofd naar hem wendt, heeft hij de oogen gesloten; maar zoodra hij gevoelt, dat hij niet bespied wordt, is zijn blik scherp op elke beweging van den kruipende gericht.

Al dichter en dichter kruipt de dief naar het bed, waarop Jacob en Peter liggen. Op 't oogenblik is zijn rug naar den kapitein gericht. Zachtkens legt hij het mes op den vloer neder en strekt zijn arm behoedzaam uit, om de kleeren van den stoel bij Peter's bed naar zich toe te trekken.

Nu is 't Peter's tijd. Terwijl hij zijn adem inhoudt, springt hij op en werpt zich op den rug des roovers, die door het onverwachte en geweldige van den sprong voorover op den grond neervalt. Te gelijk grijpt hij het mes van den kerel, dat op den grond ligt. De roover begint

Sluiten