Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn mes den knoop doorzaagde. „Hou hem maar goed vast, Peter!"

„Heb daar maar geen vrees voor," antwoordde de kapitein, terwijl hij den roover de punt van zijn mes liet voelen.

't Duurde niet lang, of het touw was van het ledikant, het was een mooi lang eind.

„Nu, jongens!" beval de kapitein. „Licht nu de armen van den schurk op. Bindt hem de handen op den rug. Zoo is 't goed — neemt mij niet kwalijk, dat ik je zoo in den weg zit — bindt hem maar stevig vast."

„Ja, en zijn voeten ook, den schurk!" riep Lodewijk. En zij bonden hem zóó stevig, dat de kerel van pijn kermde.

Thans veranderde de man van toon.

„Ach, lieve jongeheeren!" smeekte hij. „Spaart toch een armen, klanken man, die een slaapwandelaar is."

„Zoo, mannetje!" zei Flits, die nog bezig was om een knoop in het koord aan 's mans been te leggen. „Was je in slaap? Nu, dan zullen we je wel wakker maken."

De kerel mompelde een paar voermansvloeken; toen riep hij op deerniswekkenden toon: „Maakt die touwen toch los, lieve, beste jongeheeren! Ik heb vijf kleine kinderen thuis. Bij al wat heilig is, ik zal u ieder vier rijksdaalders geven, als gij mij loslaat!"

„Niet onaardig!" riep Peter lachend uit.

Toen begon de kerel te dreigen en wel zóó verschrikkelijk, dat Lodewijk er bang voor werd. Maar zij bleven hem toch maar dapper binden.

„Houd je mond, mijnheer de huisbreker," zeide Frits. „Bedenk, dat je mes vlak op je hals is. Als je onzen kapitein zenuwachtig maakt, dan sta ik er niet voor in, wat er gebeuren kan."

't Scheen, dat de roover die bedreiging ter harte nam; hij zweeg ten minste.

Juist op dit oogenblik bewoog zich de mummie in Peter's

Sluiten