Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, laat ons hem omdraaien, of 't hem bevalt of niet. Gelukkig, dat we hem gesnapt hebben."

„Hé, ben jij daar, Karei?" zeide Lodewijk spottend. „Waar heb je toch gezeten, man?"

„Waar ik gezeten heb? Wel, ik heb alarm gemaakt. Mij dunkt, dat dit noodig was."

De jongens keken elkander glimlachend aan; maar zij waren veel te blij en te opgewonden, om Karei verder te plagen. Karei was moedig

genoeg. Hij hielp dapper mede aan het omkeeren

van aen Kerel.

Toen de roover nu met het gezicht naar boven lag, nam Lodewijk de kaars uit de hand van het meisje en hield die vlak bij het gelaat van den gevangene.

„Nu moet ik hem toch eens goed zien," zeide hij. „Inderdaad — het is de kerel, die van avond achter de kachel zat.

„Waarlijk, hij is het!" zeide Peter.

Intusschen was de dochter van den kastelein de kamer uitgegaan. Zij kwam een oogenblik daarna weer binnen met een paar smerige klompen.

„Kijk, vader," zeide zij, „'t is dezelfde kerel, die van avond zoo laat met zijn baas hier kwam. 't Was heel onvoorzichtig van ons, dat wij hem zoo dicht bij de jongeheeren lieten slapen."

„Die schurk!" kreet de kastelein. „Hij heeft mijn logement in miskrediet gebracht. Ik ga terstond om de politie."

In minder da;n een kwartier waren er twee stevige

Sluiten