Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Arme kerel!" mompelde Karei luid genoeg, om door Peter verstaan te worden. „Je praat er warempel over

alsof 't je broer was."

„Is hij dan mijn broer niet?" vroeg Peter. „Hij is t net zoo goed van jou als van mij. En kun jij zeggen, wat wij onder gelijke omstandigheden zouden gedaan hebben ? Schier van onze geboorte af aan, hebben onze ouders ons van het kwade teruggehouden. Was die man in een goed huisgezin en door zorgvuldige ouders opgevoed, wm weet, welk een braaf mensch er van hem geworden was."

„Dat is nobel van je gesproken, Piet," zeide Fnts Verdam, terwijl hij hem de hand drukte. „Maai Kaïel heeft het zoo kwaad niet gemeend."

„Ik was hardvochtig," zeide Karei, terwijl hij Peter de hand reikte. „Je bent beter dan ik, Piet!

„Kom, laat ons daar maar niet over twisten. Waar zullen we *t eerst heengaan? Laat Pen dat nu eens beslissen. „Naar het Egyptian museum," antwoordde deze.

„Dat is op de Breestraat," zeide Peter. „Dan gaan wij

de ruïne over."

„De ruïne? Wat is dat?" vroeg Ben, die niet anders dacht, dan dat hij een steenklomp zou zien, zooals bij voorbeeld de ruïne van het huis te Brederode.

„Daar heb je haar reeds," zeide Jacob, toen zij een prachtig met hoornen beplant en tot wandelplaats ingericht

plein overgingen.

„Maar dat in 't geheel niet doet gelijken op een ruïne, zeide Ben met een gezicht, als meende hij, dat zijn neef

hem voor den gek hield.

„En toch is de naam zeer juist. Want hier en aan den ^ overkant der gracht, die thans tot exercitieveld is ingericht, stonden, in den morgen van den 12de" Januari 1807, tal van huizen, die alle in een enkel oogenblik tot puin vielen," antwoordde Peter. „Papa was toen juist in Leiden en hij heeft het mij dikwijls verteld.

„Hé, dan moest je 't ook eens vertellen," zeiden de

Sluiten