Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trap van twintig treden aan elke zijde, en bevatte, behalve de beroemde schilderij van den vermaarden Lucas van Leiden, voor welke Keizer Rudolf II eens zooveel dukaten heeft geboden als er noodig waren om haar te bedekken , nog een van den hongersnood gedurende het beleg, en een andere, waar Van der Werf wordt voorgesteld op het oogenblik, dat hij zijn heldhaftige taal tot

de Leidsche burgerij richt. Ook bezagen zij daar met veel belangstelling overblijfselen van het beleg: den pot van Schaak, twee opgezette duiven, die als briefposten

hebben gediend, het zwaard van Van der Does, alsook verschillende noodmunten, gedurende de belegering geslagen.

Na alles bezichtigd te hebben en een oogenblik te hebben stilgestaan hij de schilderij, voorstellende een moeder, die aan de pest sterft, begaven zij zich naar „Den Burcht", destijds een logement.

„Wij zullen hier koffie drinken," zeide Peter.

„En wat eten ook," zeide Jacob. „Want van al dat ronddrentelen heb ik mooi honger gekregen."

„Mij is 't goed," antwoordde Peter. „Alleen geef ik je in bedenking, of we ons maal niet zullen bederven, daar ze ons in „De Roode Leeuw" met het middageten wachten".

„Nu, een broodje met ossenvleesch zal ons maal niet bederven," zeide Karei, die ook zijn maag geducht voelde jeuken.

„Je hebt gelijk," hernam Peter, en dit zeggende, stapte hij met zijn makkers het hek van het zich aan den voet van „Den Burcht" bevindende logement in.

Hoe ferm onze jongens ook tegen de kou konden praten — het rondwandelen door de kille zalen der museums had hen koud gemaakt, en, al waren zij in de trekkassen van den plantentuin een weinig bekomen, zij waren weer door en door koud geworden bij het bezoek op het Stad-

Sluiten