Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zagen zij den put, waarin door een machine het water werd gepompt, hetwelk door onderaardsche pijpen werd geleid naar de in 1691 gebouwde fontein op de Vischmarkt, die alle Zaterdagen springt.

„Van dezen put wordt nog een aardige bijzonderheid verteld, die gedurende het beleg in 1203 plaats had," zeide Lodewijk. „Toen genoegzaam alle leeftocht was uitgeput, ving een der soldaten in dien put een levenden visch, dien men den belegeraars toewierp, opdat zij mochten denken, dat de belegerden nog toevloed van buiten hadden en dan het beleg zouden opbreken. Maar 't hielp hun niet; een paar dagen later moesten zij zich toch overgeven."

„Er zijn allerlei dwaze vertelsels van dezen put," merkte trits aan, „die echter geen van alle den minsten schijn van waarheid hebben. Zoo heb ik mij onder andere eens laten verhalen, dat deze put met een onderaardsche gang in verband stond, die tot Katwijk doorliep."

„Als dat was waar,' zeide Ben, „Gravin Ada zou zich niet gevangen hebben laten nemen, zooals zij deed."

„Natuurlijk niet," hernam F'rits.

Nadat zij „Den Burcht" genoegzaam bezien en hun vertering betaald hadden, wandelden zij naar „De Roode Leeuw terug, waar zij, na het door de dochter van den kastelein lekker gereedgemaakte diner, nog een uurtje uitrustten en met hun waard afrekenden. Kort daarna stonden zij, met hun schaatsen ondergebonden, op de trekvaart, die van Leiden naar 's-Gravenhage loopt en den naam van „Vliet" draagt.

Sluiten