Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk alle toe waren. De tocht ging naar Scheveningen.

„Wij zullen eerst den nieuwen weg nemeu, die langs 't Kanaal is aangelegd," zeide mijnheer Van Gent.

En zoo deden zij en reden den over de duinen gebaanden weg op, die langs het groote kerkhof loopt en recht tegenover het badhuis uitkomt. Hier gebruikten zij wat en wandelden langs het strand tot aan het dorp Scheveningen, waarheen het rijtuig vooruit gezonden was.

Al de jongens waren opgetogen over de zee, die op dat oogenblik echter wat al te kalm naar hun zin was, en het speet Ben, dat hij geen kijker bij zich had, die vér genoeg droeg, om Engeland aan de overzijde te zien, waarover allen hartelijk lachten.

„Dat is het paviljoen, in 1826 door Koning Willem I voor zijn gemalin gesticht," zeide mijnheer Van Gent. „'t Is in Toskaanschen stijl gebouwd."

Veel pret had ons zestal in de kleeding der Scheveningers, vooral in die der kleine meisjes, die volmaakte miniatuur-Scheveningsters waren.

„In vroegere eeuwen," zeide mevrouw Van Gent, „hadden de Scheveningers er pret in, hun vrijsters te doopen en in te zouten."

„In te zouten!" herhaalden vier stemmen te gelijk.

„Ja, in te zouten. In de maand Mei, als wanneer men nog op Scheveningen een feestdag houdt voor het verhuizen van de eene pink op de andere, noodigden de jonge knapen hun vrijsters uit, om met hen naar het strand te gaan en een zeeluchtje te scheppen. Dan was het strand bezaaid met menschen. Op 't onverwachts echter nam iedere knaap zijn meisje op de armen en droeg haar, ondanks haar tegenspartelen, een geheel eind in zee. Daar gekomen, doopte hij haar in het water, zoodat zij droop, en droeg haar vervolgens naar de duinen, waar hij haar in het zand rolde."

„Die meisjes zullen er fraai hebben uitgezien," zeide Jacob. „Maar die gewoonte bestaat nog in Zeeland; ten minste zij bestond nog ten tijde van Bellamy."

Sluiten