Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ïische kennis en zooveel lust tot onderzoeken hadden. „Hier aan onze rechterhand heb je het huis van Yan Hogendorp, en daarnaast is de woning van onzen onsterfelijken Jan de Witt, waarin ook zijn zwager Van Swijndrecht woonde."

Met aandoening beschouwden onze knapen het huis, •waarin eens zulk een groot man geleefd, gedacht en gewerkt had. Zoo ging men voort tot op de Plaats.

„Hier bij dezen lantaarnpaal," vervolgde mijnheer Van Gent, „is 't Groene Zoodje. Hier stond het schavot, waarop Reinier van Groeneveld, Buat en Van der Granff zijn onthoofd en de gebroeders De Witt zijn opgehangen en mishandeld. En daar, die groote keisteen met zeven strepen is er ter gedachtenis gelegd van den vreeselijken moord, aan Aleida van Poelgeest gepleegd, omdat zij graaf Albrecht tot de partij der Kabeljauwen had overgehaald."

.Maar kijkt nu eens recht uit," vervolgde hij na een poos. „Deze poort is de Gevangenpoort, vroeger Voorpoort van den Hove, en dit venster dat van den kerker van Cornelis de Witt."

„Zouden wij dien niet kunnen zien?" vroeg Peter.

„We zullen 't vragen. Zeggen ze neen, dan zijn we nog even ver."

Men ging de Gevangenpoort door en schelde aan. Het verzoek, om de vroegere gevangenis te zien, werd volgaarne ingewilligd. Met aandoening klommen zij de trap op, welke de gebroeders De Witt door het opgeruide gemeen waren afgesleept; met niet minder aandoening aanschouwden zij de kamer, waar beiden de laatste en vreeselijkste oogenblikken hun levens doorbrachten. En toen zij daarna in den kelder afdaalden en hun de pijnbank gewezen werd, op welke de Ruwaard van Putten werd gepijnigd, toen stond er in het oog van Lodewijk een traan, die hem waarlijk niet tot schande was.

Nadat mijnheer Van Gent de vriendelijke dienstmaagd, die hun een en ander had laten zien, met een ruime fooi beloond had, wandelde men naar het Buitenhof.

Sluiten