Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat? Waar? Wat bedoel je?" riepen een dozijn stemmen te gelijk.

„Wel, dat zwarte ding daar bij de hut van den gekken Rolf," hernam Frans.

„Ik zie niets," zeide een van de kinderen.

Ik wel," antwoordde een andere, „'t Lijkt wel een

hond." .

„Ben je mal? Een hond? 't Is niets dan een hoop oude

lorren," hervatte Frans.

„Een hoop oude lorren?" herhaalde een ander.

„Je hebt warempel gelijk, Frans, en als ik mij niet

bedrieg, is 't de meid uit de hut.

„Ze is het," bevestigde Frans. „Heb ik dus geen gelijk gehad, dat het maar een hoop oude lorren is?" ^

't Is goed, dat haar broer Hans er niet bij is, meende een ander lachende, „anders zou je zoo niet

spreken, Fransje."

„'k Ben nogal bang voor hem!" riep Frans dapper uit, daar hij Hans in geen velden of wegen zag. „Zoo^n voddenraper! Hij moest me eens durven aanraken, 'k Ben nog niet bang voor geen dozijn zooals hij en voor jou

ook niet."

'k Hou je aan je woord!" riep de andere en reed op Frans toe; maar deze, die zich in zijn bluf wat vergaloppeerd had, koos, tot groot pleizier van de anderen het hazenpad, gevolgd door den vroohjken troep, die de harddraverij wel eens wilde zien.

Eén echter van deze gelukkige kinderen dacht aan die zwarte kleine gedaante daar bij de hut van Rolf Blinker, aan de arme, kleine Griete. De arme Gnete! Zij dacht niet aan hen, ofschoon hun vroolijk gelach haar in de ooren drong en haar door de ziel moest snijden: ach! zij hoorde die schaterende tonen slechts als in een droom. Zij hoorde slechts het gekerm daar achter het donkere venster. Hoe! als die vreemde mannen haar vader eens

dooden!

Sluiten