Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die gedachte deed haar van afgrijzen opstaan.

„Neen, neen," riep zij snikkend uit. „Moeder is er immers, en Hans ook. Zij zullen er wel op passen! Maar wat zagen zij allebei verschrikkelijk bleek! Zelfs Hans stonden de tranen in de oogen."

Een oogenblik later vervolgde zij, terwijl zij schuw naar de hut keek:

„Waarom heeft die oude, knorrige dokter hem laten blijven en mij weggezonden? Ik zou moeder hebben kunnen kussen en haar troosten. Zij houdt zooveel van mij, meer.. .. Maar wat is 't nu stil in huis. O, als vader sterft, dan gaat moeder ook dood en Hans misschien ook, en wat moet er dan van mij worden!"

En zij verborg haar schreiend gelaat in haar handjes.

Toen kwamen er nieuwe gedachten in haar op.

Waarom had Hans 't alleen aan moeder gezegd, wat de dokter ging doen en niet aan haar? 't Was toch haar vader, net zoo goed als de zijne. Zij was geen klein kind meer. Zij had haar vader eens een scherp mes afgenomen, waarmee hij zich een ongeluk zou hebben toegebracht, als zij het niet belet had. En op dien akeligen avond, toen Hans, zoo groot als hij was, daar bewusteloos in een hoek van het vertrek lag, toen had zij vader van het vuur gelokt en 't was door haar toedoen, dat moeder niet in brand gevlogen was. Waarom moest zij nu behandeld worden, alsof zij er niet bij hoorde? — Ach! wat was het koud! hoe bitter koud! Haar voeten waren als steenen!

Toen ging Griete weer zitten op de plaats, van welke zij was opgestaan, en keek rondom zich en verwonderde zich, dat de lucht zoo helder blauw was en dat het zoo stil in de hut bleef en... .

„Wat heeft die dokter een rare lip!" zeide zij eensklaps, „'t Lijkt net een schaats! En wat blonken die messen, welke hij uit dien leeren zak haalde. Misschien nog mooier dan de zilveren schaatsen. Had ik mijn nieuw jacketje maar aangedaan, dan zou ik 't zoo koud niet hebben! Dat

Sluiten