Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Neen, juffrouw, ik ben niet ziek," antwoordde Griete; „maar mijn hart schreit, al zijn mijn oogen ook zoo droog als de uwe. — Hé, juffrouw! U schreit ook. Schieit u om ons? O, dat is wel goed, en als onze lieve Heer dat ziet, zal hij vader zeker beter maken."

„Wat zie je, Griete?" vroeg Hilda. „Of kun je mets

zien ?"

„Vader ligt heel stil, juffrouw, met een doek om zijn hoofd en allen kijken naar hem. Ik moet naar binnen, naar moeder. Gaat u mee, juffrouw? ^

„Nu niet, maar later kom ik eens hooren, hoe 't met

je vader is."

En Griete hoorde de laatste woorden niet meer : want snel liep zij den hoek om en trad, zoo zacht als zij kon,

de hut binnen.

In de kamer was 't stil. 't Was, of zij den ouden dokter kon hooren ademhalen, ja, als hoorde zij de asch op de plaat van den haard vallen. De hand van haar moeder was ijskoud, maar haar wangen gloeiden en haar oogen

stonden glazig helder.

Eindelijk kwam er beweging op het bed, wel zeer zacht, maar genoeg om hen allen hun oogen naar dien kant te doen richten; dokter Broekman boog zich oplettend voorover. Brinker trok zijn groote hand, zoo bleek en zoo zwak voor die van zulk een stevig man, onder het dek vandaan en voelde er mee naar zijn voorhoofd. Hij scheen daar het verband te voelen, doch deed dat niet op die rustelooze, onbewuste manier, maar alsof hij met bewustheid onderzocht, wat men hem toch om het hoofd had gebonden. Zelfs dokter Broekman hield zijn adem in. Daarop sloeg de patiënt zijn oogen langzaam op.

„Wat gauw, jongens," zeide hij met een stem, die in Griete's ooren zeer vreemd klonk. „Haalt die kiibben wat hooger en werpt er aarde op. Het water rijst zoo snel — er is geen tijd ...."

Sluiten