Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reed. Misschien had moeder het verkeerd verstaan. De dokter kon toch wel begrijpen, dat het buiten hun macht was om vader bouillon en wijn te verschaffen. En toch — hij was er wel zeker van, dat de arme man het noodig had, want hij zag er zoo zwak uit.

„Kon ik maar werk krijgen, dan zou men mij misschien wat op voorschot geven. Ik moet werk hebben. Was mijnheer Van den Helm maar niet juist naar Rotterdam, dan zou hij mij wel werk verschaffen. Maar de jonge heer Peter heeft mij gezegd, dat ik maar naar zijn moeder moest gaan, als ik hulp noodig had. Weet je wat, ik doe 't; baat het niet, dan schaadt het niet. O, als 't maar zomer was!"

Onder dit zelfgesprek had Hans zijn schaatsen ondergebonden en reed hij naar de woning van mijnheer Van den Helm.

„Vader moet wijn en vleesch hebben, mompelde hij. „Maar hoe kom ik vandaag nog aan het geld, om het voor hem te koopen? Er is geen ander middel op, dan de belofte te vervullen, die ik stilzwijgend aan den jongen heer Peter gedaan heb. Een beetje wijn en vleesch beteekent niets voor de familie Van den Helm. Als vader maar voedsel heeft, dan rij ik naar Amsterdam en zie daar wat

te verdienen."

Toen kwamen er andere gedachten bij hem op, gedachten, die zijn hart heviger deden kloppen en het schaamrood op zijn wangen joegen.

„Dat zou bedelen zijn," zeide hij. „Op zijn zachtst genomen bedelen. Nooit heeft een van de Blinkers gebedeld! Zal ik dan de eerste zijn? En zou mijn arme vader daartoe uit zijn tienjarigen doodslaap ontwaakt zijn, opdat hij moet hooren, dat zijn huisgezin om een aalmoes gevraagd heeftr hij die altijd zoo fier werkzaam was? Neen, dan is 't nog duizendmaal beter om het horloge te verkoopen."

Hij stond peinzend stil.

„Verkoopen?" vervolgde hij, als beantwoordde hij zich zelf. „Wel, dat behoeft niet. Ik kan het te Amsterdam

Sluiten