Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een eenvoudig wijsje: de woorden had zij nooit gekend.

En als uit instinct zong zij de noten zóó zacht, dat Rolf zich bijna verbeeldde, dat zijn tweejarig kindje weer naast hem zat.

Zoodra het gezang gedaan was, klom Hans op een bankje en begon boven in de kast te schommelen.

„Wees voorzichtig, Hans," zeide vrouw Brinker, die, hoe arm zij ook was, steeds een zorgvuldige huismoeder bleef. „Wees voorzichtig, dat je den wijn niet omgooit, en pas op het brood, dat er naast staat."

„Wees maar niet bang, moeder," antwoordde Hans, die ver boven de hoogste plank uitstak. „Ik zal niets omgooien."

Toen sprong hij van het bankje af en ging naar zijn vader, voor wien hij een langwerpig stuk grenenhout op tafel zette. Een van de einden was schuin afgerond, en het bovengedeelte was uitgehold.

„Weet gij wel, wat dat is, vader?" vroeg hij.

Rolf Brinkei's gelaat helderde op.

„Of ik het weet. Wel ja, mijn jongen, dat is de boot,

waaraan ik giste neen, niet gisteren, maar jaren

geleden bezig was."

„Ik heb haar altijd bewaard, vader. Als uw handen weer sterker zijn, kunt gij haar afmaken."

„Dat is goed, mijn jongen. Maar niet voor jou, hoor. 'k Moet nu maar wachten, tot ik kleinkinderen heb. Wel kerel, je bent bijna een man. Heb je je moeder al die jaren trouw geholpen?"

„Ja, dat heeft hij gedaan," zeide vrouw Brinker.

„Laat me eens bedenken," prevelde de vader. „Hoe lang is 't sinds dien nacht, dat het water zoo hoog was? Dat is 't laatst, wat ik mij herinner."

„We hebben je de waarheid gezegd, Rolf. 't Is al over de tien jaren."

„Tien jaren — en toen ben ik gevallen, niet waar? En heb ik sedert al dien tijd in de koorts gelegen?"

Sluiten