Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vrouw Brinker wist niet, wat zij moest antwoorden. Zou ze hem alles vertellen? Dokter Broekman had haar volstrekt verboden, om hem bekend te maken, dat hij krankzinnig, idioot geweest was. Hans en Griete stonden verbaasd te kijken, toen hun moeder antwoordde:

„Dat heeft er veel van, Rolf. Je begrijpt, als zoo'n zwaar man als jij op zijn hoofd valt, dan loopt dat zoo gemakkelijk niet af. Maar nu ben je weer beter Goddank!"

Rolf liet zijn hoofd zakken.

,.'t Is goed, vrouw," hernam hij, na een oogenblik gezwegen te hebben, „'t Is me tusschenbeide of mij de hersens in het hoofd draaien. Dat zal wel niet beter worden, vóór ik op den dijk ga werken. Wanneer denk je, dat ik weer aan den arbeid kan gaan?"

..Hoor me zoo'n man eens aan!" riep vrouw Brinker verheugd en toch verschrikt. „We moeten hem te bed brengen, Hans! Dat wou nu al gaan werken!"

Zij poogden hem nu van zijn stoel op te richten, maaibij was nog niet van zins om naar bed te gaan.

„Schei toch uit," zeide hij met zijn ouden glimlach, een glimlach dien Griete nog nooit op zijn gelaat had gezien. „Moet je een man oplichten als een blok hout. 't Duurt geen drie dagen of ik ben weer op den dijk aan 't werk. Daar zal ik weer mijn oude, goeie jongens vinden! Wat zullen ze in hun schik zijn, als ze mij weerzien verschijnen! Daar heb je Jan Kamphuijzen en den jongen Hoogvliet, 't Waren trouwe kameraads, Hans, daar kan je op aan!"

Hans keek zijn moeder aan. De jonge Hoogvliet was al vijf jaren geleden gestorven en Jan Kamphuijzen zat in de •cellulaire gevangenis te Amsterdam.

„Ze zullen 't nog wel goed maken, denk ik," zeide vrouw Brinker ontwijkend. „Maar je begrijpt wel, Rolf, dat we geen tijd hebben gehad om ons met hen te bemoeien. Hans had het te druk met leeren en werken, dan dat hij kameraden zou hebben kunnen zoeken."

Zilveren Schaatsen. 9

Sluiten