Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Herinnert gij u nog, vader, wanneer gij het geld begraven hebt?"

„Wel zeker. 't Was vóór dag en dauw, op denzelfden dag, dat ik van den dijk viel. Jan Kamphuijzen had den avond te voren iets ten opzichte van dat geld gezegd, dat mij zijn eerlijkheid deed wantrouwen. Hij was de eenige, die met moeder en mij wat van dat geld wist. Ik stond 's nachts op en begroef het. Dwaas, die ik was, om een oud vriend te wantrouwen!"

„Ik wed om al wat gij wilt, vader," hernam Hans lachend, terwijl hij zijn moeder en Griete wenkte, om zich stil te houden, „dat gij niet meer weet, waar gij het begraven hebt."

„Ha! Ha! Ha! Je hebt gelijk. Maar goeden nacht, Hans!

Ik heb slaap."

Hans wilde zijn vader met rust laten en van het bed afgaan, maar zijn moeder wenkte hem en hij mocht haar niet ongehoorzaam zijn; daarom vervolgde hij:

„Goeden nacht, vader! Waar hebt gij het geld begraven? Ik was toen nog heel klein."

„Vlak bij den wilgeboom achter de hut, ' antwoordde

Brinker slaperig

„O, ja. Aan den noordkant van den boom, niet waar,

vader?"

„Neen, aan de zuidzijde. Kom, je weet de plaats netzoo goed als ik, kleine schelm! Je bent er toch zekei bij geweest, toen je moeder het geld opgroef. Wees nu stil, Hans, en schud mijn kussen wat op. Ik heb zoo n slaap.

Goeden nacht!"

„Goeden nacht, vader!" antwoordde Hans, die wel van vreugd had willen dansen.

Dien nacht kwam de maan vrij laat op en wierp haar schijnsel vol en helder door het venster in de hut j maai haai- licht stoorde den slaap van Rolf Brinker niet. Hij

Sluiten