Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, dat zij de slapers in de hut zouden wakker maken.

„Gelukkig, dat wij het houweel hebben, moeder," zeide Hans, terwijl hij uit al zijn macht sloeg; „maar de grond is zóó hard, dat we moeite zullen hebben, om er door te komen."

„Wat zal dat een heuglijke tijding voor hem zijn," zeide vrouw Brinker glimlachend, „als hij sterk genoeg is om haar te dragen. Ik zou er wel lust in hebben, beide kousen, zoo vol met geld, net zooals wij ze vinden, naast hem neer te leggen. Wat zou de brave man dan raar opkijken, als hij wakker werd!"

„Dan moeten we ze eerst vinden, moeder!"

..Daar is geen twijfel aan, mijn jongen! Ze kunnen ons nu niet ontgaan. Waarschijnlijk zitten ze in den ouden koekepot, dien ik jarenlang gemist heb."

Maar hoe diep Hans ook groef, er kwam geen teeken van den schat terug.

„'t Is vreemd, dat vader het geld zoo vreeselijk diep in den grond heeft gespit," zeide vrouw Brinker op knorrigen toon. „De grond was toen nog zacht genoeg. Hoe verstandig van hem, dat hij Jan Kamphuijzen niet vertrouwd heeft, en toch stelde hij toen nog zijn volle vertrouwen op hem. Wie had ook ooit kunnen denken, dat die vroolijke jongen, die altijd zoo aardig was, nog naar de gevangenis zou gaan! Nu, Hans, geef mij nu de spade eens. 't Zou toch jammer zijn, als wij den boom er mee doodden. Zou 't hem geen kwaad doen?"

„Ik weet het niet," antwoordde Hans ernstig.

Uur op uur gingen moeder en zoon voort met hun werk. Het gat werd hoe langer hoe dieper. Eindelijk moesten zij 't wel opgeven. Zij hadden bezuiden, benoorden, beoosten, bewesten den boom gegraven; maar de verborgen schat was er niet.

Sluiten