Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat je zegt! Nu, Haas, dat is een goede tijding. En waar ging je nu naar toe?"

„Naar Amsterdam, om werk te zoeken, jongeheer!"

„Naar Amsterdam? Daar zul je geen werk krijgen. Waarom zoek je het niet in Broek?"

„Ik heb 't gepoogd, jongeheer, maar er is geen werk."

„En zou je zoo op je voetjes naar Amsterdam kuieren? Dat zou je niet meevallen: want het is een heel eind. Waar zijn je nieuwe schaatsen?"

„Ach, jongeheer," zeide Haus, terwijl hij verlegen aan zijn mouw plukte, „die heb ik verkocht."

„Verkocht? En hoe moet je dau morgen aan de hardrijderij meedoen?"

„Dat zal ik niet kunnen. Ach, ik heb wel aan wat anders te denken dan aan hardrijderijen."

„Maar waarom heb je je schaatsen verkocht, Hans? Je was er zoo blij mee en jij kondt er zoo goed op voort."

„Omdat er meel en brandstof in huis moest zijn," hernam Hans. „Als ik maar werk had kunnen krijgen, zou ik er geen oogenblik aan gedacht hebben."

„Werk? Heb ik niet gezegd, dat je maar naar mijn papa moest gaan om werk. Die zou het je wel gegeven hebben."

„Hij is naar Rotterdam, jongeheer!"

„Hoor eens, je ziet, dat mijn kameraads reeds met ongeduld op mij wachten. Kom dadelijk bij mij, dan zal ik er met mama over spreken."

Dit zeggende, vloog Peter als een pijl uit een boog voort en was binnen weinige minuten weder bij zijn reisgenooten, die hem braaf berispten, dat hij zich zoo gemeenzaam met dien voddenraper aanstelde. Maar Peter antwoordde niets, ofschoon hij bij zich zelf dacht: die voddenraper is honderd percent beter dan een van ons allen. Hij antwoordde niet, omdat hij de laatste seconden van hun vroolijk samenzijn niet wilde verbitteren door een twist, waarin zij hem toch nooit gelijk zouden geven. Hans intusschen wandelde getroost terug en kwam aan het huis van mijnheer Van

Sluiten