Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„'t Is waar, Briiiker. Dokter Broekman heeft je vader zoo gelukkig genezen. Vertel me dat eens!"

Hans verhaalde wat dokter Broekman gedaan had en weidde zeer uit over 's mans vriendelijkheid.

„Hoe kun je toch zeggen, dat dokter Broekman vriendelijk is?" zeide Peter. „Ik heb nooit grooter bok gezien."

n't Kan wezen, jongeheer! En ik wil heel gaarne gelooven, dat andere menschen geen reden hebben, om op zijn vriendelijkheid te roemen. Maar dat belet toch niet, dat ik hem voor een lief, goed man houd en dat ik mijn leven zou opofferen, om hem een dienst te doen."

„Je hebt gelijk, Brinker," zeide mevrouw Van den Helm. „En ik vind het nobel van je, dat je zoo ferm voor je gevoelen durft uitkomen. Dokter Broekman is een braaf man en een knap geneesheer. Dat hij gewoonlijk zoo ernstig en streng is, daar heeft hij wel reden voor, de arme man. 't Zal wel zoo wat tien jaren geleden zijn, dat hij zijn eenig kind, een zoon van veel verwachting, op een zeer ongelukkige manier verloren heeft. En dat verlies heeft den vader vrij wat verdriet veroorzaakt."

Peter zweeg uit achting voor zijn moeder, en op het gelaat van Hans stond innig medelijden te lezen; terwijl hij in zijn hart den wensch voedde, dat hij den dokter diens zoon mocht kunnen wedergeven. Nadat onze knaap het werk in den koepel had opgenomen, hetwelk hij bij den aankoop van de noodige gereedschappen, niet boven zijn bereik vond, gaf mevrouw Van den Helm hem een rolletje met tien rijksdaalders.

„Ziedaar, Brinker," zeide zij vriendelijk, „hier heb je al vast vijf en twintig gulden op voorschot! Daar kun je het noodige gereedschap en hout voor koopen. En dan wachten we je den tweeden Januari om te beginnen. Morgen is de groote wedren, overmorgen Oudejaarsdag en op Nieuwjaarsdag kun je toch ook niet werken. Al dien tijd kunnen je ouders niet van den wind leven, en als het werk goed uitvalt, dan zijn de vijf en twintig gulden nog maar een kleinigheid."

Sluiten