Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begonnen, maar daarvan wilde mevrouw Van den Helm niets hooren en hij durfde er niet op aandringen.

„Je bent toch niet boos op me, Hans," zeide Peter, toen hij hem uitliet, „dat ik zoo over dokter Broekman gesproken heb? Ik wist niet, dat de man verdriet had."

„Wel neen, jongeheer! Hoe zou ik boos kunnen zijn op u, die mij als een weldoener verschenen zijt? Tk dank u integendeel hartelijk."

..En nu koop je je schaatsen terug, hoor, en doe je morgen mee met de hardrijderij."

-Dat zal moeilijk gaan, jongeheer! Maar we zullen zien."

En met deze woorden verliet hij het huis van de familie Van den Helm.

Vroolijk kwam Hans in de hut aan. Vader Brinker was juist ontwaakt en wenschte wat op te zitten; maar zijn vrouw had hem beduid, dat hij moest wachten tot Hans thuis kwam. Hij zat dus maar in het bed op.

„Ben je daar al, Hans?" zeide zijn moeder. „Ik dacht, dat je naar Amsterdam waart."

„Zooals gij ziet, moeder! Ik ben niet naar Amsterdam geweest. Ha, vader! al wakker? en hoe gaat het?"

„Veel beter, jongen, veel beter. Ik wachtte al op jou om op te staan: want een mensch zou wel lui worden, als hij zoo lang in de veeren bleef liggen. Maar je kijkt zoo vroolijk als een meidag. Er is je zeker wat goeds bejegend."

„Dat zou ik zeggen, vader," antwoordde Hans, terwijl hij de tien blanke rijksdaalders op tafel wierp. „Ik heb werk gekregen en geld op voorschot."

En hij vertelde zijn ontmoeting met Peter en de vriendelijke ontvangst bij mevrouw Van den Helm.

„En zal jij dat werk durven avonturen, Hans?" vroeg Brinker.

„Met Gods hulp, ja vader," antwoordde Hans. „En we zien reeds duidelijk, dat de goede God met mij geweest is."

Sluiten