Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin zij van haar man iets meer ten aanzien van het geheimzinnige horloge zou kunnen vernemen. Zij legde het

dus in de hand van den zieke.

Rolt' Blinker draaide het gladde, blinkende voorwerp herhaalde malen in zijn hand om; daarna onderzocht hij het kleine zwart moiré lintje, dat eraan vastzat; hij scheen echter een en ander niet te herkennen. Eindelijk toch

zeide hij: , , .

„Hé, ja. Nu herinner ik 't mij. Vrouw, wat heb je dat

ding mooi opgewreven! Het ziet er uit of het zoo nieuw uit den winkel komt!"

„Vindt je 't?" vroeg vrouw Brinker.

Rolf bekeek het horloge nogmaals.

..Arme jongen!" mompelde hij; toen verzonk hij in diep

gepeins. .

Vrouw Brinker kon haar ongeduld niet langer bedwingen. Min of meer knorrig, herhaalde zij haars mans woorden: „Arme jongen!" — Daarop vervolgde zij: „Hoe is 't nu met je, Rolf? Denk je, dat ik niet anders te doen heb, dan hier bij je te staan en mijn boel te laten wachten, om ten slotte van alles niets anders van je te hooien dan: arme

jongen?" „

„Maar ik heb je immers alles reeds sedert lang verteld, zeide Rolf op bevestigenden toon, terwijl hij zijn vrouw

verwonderd aankeek.

„Wel neen, Rolf, je hebt me er nooit een enkel woord

van gezegd."

„Nu, als dat het geval is, en daar 't een zaak betrelt, die ons in 't geheel niet aangaat — zoo zullen wij er maar over zwijgen," hervatte Rolf, terwijl hij zijn hoofd treurig schudde, „'t Is allerwaarschijnlijkst, dat in den tijd, welken ik dood ben geweest voor de aarde, de arme jongen gestorven en reeds in den hemel is. Ilij zag ei

wel naar uit, die arme knaap!

„Rolf, als je me op die manier gaat behandelen, mij die je heb verzorgd en verpleegd van mijn twee-en-

Sluiten