Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Denk je dan, dat de man — de jongen, van wien je spraakt, dood is?" vroeg vrouw Brinker, terwijl zij het horloge in haar hand verborg.

„Dat kan ik niet zeggen," antwoordde hij.

„Was hij dan zoo ziek, Rolf?"

„Neen, niet ziek, maar gejaagd, heel gejaagd. '

„Had hij dan wat kwaads uitgevoerd, denk je?" vroeg zij half fluisterend.

Rolf snikte.

..Een moord gedaan?" fluisterde de vrouw, zonder te

durven opkijken.

„Hij zeide, dat het er wel iets van had."

„O, Rolf, je doet mij schrikken — vertel mij meer —je spreekt zoo raadselachtig — en je beeft. Ik moet alles weten.

„Als ik beef, vrouw, dan moet het van de koorts zijn Daar rust, Goddank, geen schuld op mijn ziel.

„Daar Rolf, neem een slokje wijn; dat zal je goed doen. Ziezoo, nu ben je beter, 't Had veel van een

moord, zei je?"

„Ja, Mietje, van een moord; dat heeft hij zelf mij verteld. Maar ik geloof het niet. Een knappe, frissche, aardige knaap, die er net zoo uitzag als onze Hans....

„Ja, ik begrijp je," hervatte vrouw Brinker, om de

historie niet af te breken.

«Hij kwam heel onverwachts op mij af," ging Rolf voort. „Ik had hem nooit te voren gezien, met zijn bleek en angstig gelaat. Hij greep mij bij den arm. „Je schijnt me een eerlijke kerel te zijn," zeide hij.

„Daar had hij ook deugdelijk gelijk in," viel de vrouw haar man met geestdrift in de rede.

Rolf keek een weinig verward.

„Waar was ik ook weer, vrouw?" vroeg hij.

„De knaap greep je bij den arm," antwoordde zij, terwijl

zij hem nieuwsgierig aanzag.

„Juist, zoo was 't. 't Komt me alles zoo moeilijk voor

den geest, net alsof 't een droom is, weet je.

Sluiten