Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden, en hoe Hans, op een toevallige aanwijzing van Annie Bouman, die er geweest was, terwijl hij geslapen had, op het denkbeeld was gekomen om bij de stomp

van den ouden wilgestam te graven en het geld

ongeschonden voor den dag had gebracht.

„En nu zul je 't eerst goed hebben, Rolf," eindigde zij. „Hans en ik gaan straks naar Monnikendam, om ons van het noodige te voorzien. En jij, Hans en Griete, zult nu ook vleesch bij je brood hebben en worst ook. Je hebt lang genoeg honger geleden."

Ik zal u de vroolijke gesprekken niet mededeelen, die er gevoerd, noch de schitterende luchtkasteelen, welke er gebouwd werden en die zich gelukkigerwijs maar tot plannen en ontwerpen bepaalden. Zij werden in het midden van al die vroolijkheid gestoord door het gerol van een rijtuig aan den overkant der vaart.

' „Zou daar de dokter zijn?" vroeg Hans.

„Hij is er vandaag nog niet geweest. Ik dacht, dat hij maar eens zou hebben overgeslagen."

„Het rijtuig houdt stil," zeide Griete.

„Hier, Hans, neem de lamp! Als 't de dokter is, mocht

h'j eens struikelen."

Hans was reeds met de lamp de hut uit en zag inderdaad den goeden dokter Broekman over het ijs komen

aanstrompelen.

„Is u 't, mijnheer?" riep hij hem toe. „Wacht, laat mij u bijlichten! Ü zoudt een ongeluk kunnen krijgen."

En Hans snelde met zijn lamp naar den dokter toe en bood hem de band, om hem langs veilige plaatsen te geleiden.

„Een satansch ellendig pad in den donker," bromde de dokter, „'t Is goed, dat je gekomen bent, Hans; «anders had ik hals en beenen kunnen breken. Hoe is 't met je vader?"

„O uitmuntend, mijnheer! Vader wordt bij den dag sterker. Hij is op 't oogenblik wakker.

„Goede Hemel, mijnheer de dokter!" riep vrouw Brinker

Sluiten