Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar u weet nu alles, mijnheer," fluisterde Hans. „U weet nu, dat hij onschuldig was aan alle kwaad; dat hij u en zijn afgestorven moeder liefhad. Wij zullen hem uitvinden. U zult hem wederzien, lieve dokter!"

„God zegen' je, mijn jongen," zeide dokter Broekman, erwijl hij de hand van den knaap in de zijne drukte. „ t Moge uitkomen, zooals je 't voorspelt. ïk zal mijn best doen, dat zal ik. En Brinker, het minste woord, dat je je herinnert omtrent mijn ongelukkig kind, moet je me terstond laten weten."

-Dat beloof ik u, dokter," riep Hans uit, en de dokter was tevreden met die belofte. Hij wist, dat Hans haar zou houden.

„De oogen van je jongen," hervatte de dokter tot vrouw Brinker, „lijken sprekend op die van mijn zoon. De eerste maal, toen hij bij mij kwam, was 't of Laurens zelf voor mij stond."

Eenige minuten scheen de dokter in gedachten verzonken; daarna stond hij op en zeide op vriendelijken toon:

„Neem mij niet kwalijk, Brinker, dat ik 't je van avond zoo druk gemaakt heb. Bedroef je maar niet om mijnentwil. Ik verlaat je huis veel gelukkiger, dan ik in jaren geweest ben. Zal ik het horloge maar meenemen ?"

„Natuurlijk, mijnheer! 't Was immers de wensch van uw zoon."

„Je hebt gelijk," hernam de dokter, terwijl hij het horloge wegstak. „En nu moet ik gaan. Mijn patiënt heeft geen andere medicijnen noodig dan rust en een vroolijke omgeving; beide zijn hier in overvloed. De Hemel zegene u, mijn goede vrienden! Ik zal je altijd dankbaar zijn!"

„Moge de Hemel ook u zegenen, mijnheer!" zeide vrouw Bl inker, „en u spoedig dien lieven jongenheer doen terugvinden."

Hans lichtte den dokter weder met de lamp voor.

Zilveren Schaatsen. ]x

Sluiten