Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ooit, nu hij Hans bij de rijders ziet; maar daar er nog eenige andere boerenknapen bij zijn en Hans dus niet alleen is, troost hij zich.

Aan den anderen kant der tent staan de twintig meisjes. Nu, dat behoeft gij wel niet te vragen, al ziet ge haar niet; gij hoort het wel aan het vroolijk gesnater en gekakel, dat die twintig lieve mondjes maken, 't Is of er een heele troep jonge eenden aan het kwaken zijn. Nu en dan hoort gij er een paar schateren van lachen: want vroolijk zijn ze, die aardige nufjes. Hilda, Kato en Truida hebben zich juist de schaatsen aangebonden en stampen met de lieve voetjes, om te voelen of de ijzers wel stevig zitten: want bij een hardrijderij moet er niets aan ontbreken. Hilda spreekt een klein boerenmeisje in een rood jacketje en met een splinternieuw rokje aan. 't Is Griete. Ook Annie Bonman is er.

Nu houdt de muziek even op. Al de meisjes en jongens moeten vóór de tent komen, om de voorwaarden te hooren. De omroeper van het dorp leest met luide stem voor:

„De meisjes en jongens zullen om beurten lijden, allen te gelijk en wel zóó lang, tot één meisje en één jongen het tweemaal gewonnen hebben. Zij moeten zich op één lijn scharen bij de twee paaltjes vóór de tribune rechts, den eindpaal omrijden en dezen tocht twee malen volbrengen. Het meisje en de jongen, die twee malen gewonnen hebben, zijn overwinnaars!"

De rijderessen scharen zich. Mevrouw De Bruyn wuift met haar zakdoek. Een van de heeren, die zich aan den eindpaal bevinden, waait met een vlaggetje. Al de rijdsters begeven zich op weg. Eensklaps wuift het vlaggetje weer, zij moeten terugkeeren — ze waren niet te gelijk afgereden. Ten tweeden male wuift de zakdoek en waait het vlaggetje. Ditmaal is alles in orde. Wat rijden zij snel! Hoe doodstil is de menigte! Men hoort niets dan het krassen dor schaatsen, men ziet niets dan de fladderende rokjes! De paal is omgereden. Een luid hoezee doet zich hooren. Vijf

Sluiten