Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en Peter blijven vooruit. Hilda, Annie en Griete springen op van de met rood katoen bekleede bank, op welke zij gedurende de rustpoos gezeten hebben. Met vlammende oogen kijken zij naar de rijders. Hans en Peter blijven aldoor gelijk. Reeds zijn ze vlak bij de tent. Daar schiet Peter eensklaps vooruit en de stem van den uitroeper klinkt:

„Peter van den Helm eenmaal gewonnen!"

Weer dezelfde toejuichingen, weer dezelfde daverende muziek: do menigte en de muzikanten vragen niet wie er wint; ieder, die overwint, heeft hun sympathie. Aan het einde der renbaan, dicht bij den grenspaal, echter heeft een oploopje plaats. Mevrouw De Bruyn kijkt angstig wat het moge wezen. Peter en Hans snellen derwaarts; de eerste komt met de tijding terug, dat Karei Schimmel bij het omrijden van den paal gevallen is, doch zich niet bezeerd heeft. Hij was maar eenigszins bedwelmd door den val, doch kwam daar al aan, gesteund door Hans, die veel te veel Hollandsche jongen is, om niet terstond alle vijandschap te vergeten en zijn vijand, die hem altijd zoo diep verachtte, te helpen. Met een glas seltzerwater, dat mevrouw De Bruyn hem laat drinken, is hij spoedig weder beter. Gelukkig echter, dat de muziek zich aldoor heeft doen hooren; anders had dit ongeval de vreugde wel eenigszins kunnen verstoord hebben. Onder de schaatsenrijders echter veroorzaakt het geval weinig deelneming; er is niemand, die van Karei Schimmel houdt.

De meisjes zijn voor de derde maal geschaard. Wat staan ze daar moedig, die jonge deernen! Op dit oogenblik ligt er diepe ernst op al die lieve gezichtjes: want deze rit is die, welke beslist. Ofschoon, als Griete noch Hilda 't winnen, is er ook voor de overigen nog kans op het winnen der zilveren schaatsen. En dat maakt, dat ieder meisje nog moed heeft, dat ieder van haar hoop voedt, om ditmaal beter te slagen. Sommige stampen

Sluiten