Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de voetjes, als paarden die gereedstaan tot den wedloop.

Daar wuift de zakdoek van mevrouw De Bruyn, en de rijdsters steken af. Wie is daar reeds zoo spoedig vooraan? 't Is Hilda - of Kato — of Truida — of

Annie „een, 't is de kleine Griete. Bij den vongeu

ren heeft zij 't bedaard aangelegd; maar nu is 't haar ernst: zij heeft besloten, dat zij winnen zal. En toch, wanneer men haar ziet rijden, is 't alsof t haar niet de minste inspanning kost — zij glijdt maar voort, altijd vooruit en — hoe de anderen zich inspannen zij kunnen Griete niet inhalen. Reeds is de paal ten tweeden male omgereden — nog altijd is zij vooruit daar is zij aan

het doel .

Of de uitroeper al schreeuwt, 't helpt hein niet. het donderend gejuich der toeschouwers belet zijn stem te hooren. 't Behoeft dan ook met; want duizenden stemmen roepen:

„Griete Brinker heeft de zilveren schaatsen gewonnen.

Als een vogel is zij over het ijs heengevlogen, als een vogel staat zij om zich heen te kijken, zoo schuchter en zoo verschrikt; zij wenscht zoo hartelijk eens naar de plaats heen te vliegen, waar haar moeder staat. Maar Hans is naast haar en al de meisjes omringen haar. En wie haar onder allen 't hartelijkst geluk wenscht, is de lieve Hilda, die geen de minste jaloezie in haar hart voedt, maar zoo gelukkig is met den triomf van haar beschermeling, alsof zij zelf dien behaald had. Nu zal niemand het kind meer minachten. De voddenraapster uit de hut is ze nu niet meer; neen, 't is Griete Blinker, koningin van alle schaatsenrijdsters.

Hans is trotsch op de zegepraal zijner zuster. Hij kijkt met zijn heldere oogen rond, om te zien of Peter van den Helm' er deel in neemt. Maar Peter kijkt noch naar den een, noch naar den ander. Peter ligt op zijn ééne knie, de onrust staat op zijn voorovergebogen gelaat te lezen.

Sluiten