Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonnen! Hoezee! Hoezee! voor Peter van den Helm!"

En donderend valt de muziek in en zij en het geschreeuw klinken verward dooreen: want Peter van den Helm is in Broek bemind en ieder verheugt zich in zijn zegepraal. Eindelijk bedaart het gejubel, en is men in staat om de muziek te hooien. Zij speelt een vroolijk air, een levendigen marsch. Intusschen scharen zich, op bevel van mevrouw De Bruyn, al de schaatsenrijders en rijdsters in een kring vóór de tent. Aan den eenen kant staat Peter als de grootste, aan den anderen kant Griete als de kleinste. Hans, die zoo goed hij kon zijn schaats met Peter's versneden riem had vastgemaakt, staat tusschen dezen en Jacob Poot, die zich ook bij de rijders gevoegd heeft. Eerst worden aan allen ververschingen rondgediend; daarop rijden zij, in statige processie, achter elkander de baan nog eens af, tot aan den paal, waar zij zich in twee rijen, jongens en meisjes, scharen, en op de maat der muziek naar de tent van mevrouw De Bruyn rijden. Hier vormen zij een dubbelen halven kring, in welks midden zich Peter van den Helm en Griete bevinden.

Nu zwijgt de muziek. Mijnheer en mevrouw De Bruyn staan op; de eerste houdt een aanspraak, daarop reiken zij de zilveren schaatsen uit, mijnheer het eene paar aan Peter van den Helm, mevrouw het andere aan Griete Brinker.

Het lieve kind! zij beeft als een riet en slaat schuchter de oogen naar mevrouw De Bruyn op. Zij hoort niet wat mijnheer De Bruyn zegt, want het ii, of om haar heen alles ruischt. Zij ziet even naar Peter, die iets heel moois bekijkt, o zoo iets schoons, zoo iets prachtigs! Zij ziet ook zoo iets moois in de handen van mevrouw De Bruyn, onwillekeurig strekt zij de hare uit.... geeft een kreet van verrukking en tracht te nijgen — woorden kan zij niet spreken; zij vliegt naar haar moeder en hangt schier bewusteloos in de armen der goede vrouw, wie de tranen van vreugde uit de oogen stroomen.

Sluiten