Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maak er u maar niet ongerust over, vader," antwoordde Hans. „'t Is Thomas Higgs. Ik heb het al opgeschreven."

„O ja," hervatte Blinker, „'t Is waar ook. Als ik me nu ook de plaats kan te binnen brengen, dan is alles in orde."

„Hier, Hans, is de riem," zeide Peter, die van dat gesprek niets begreep. „Dat kleine ding heeft mij een grooten dienst gedaan."

„En nu ik heb wat meegebracht ook." zeide Ben, terwijl hij een keurig net bewerkt kistje op tafel zette. „Uw Griete was weg zóó gauw, dat mevrouw De Bruyn niet had den tijd, om haar te geven dit."

„'t Is het kistje, dat bij de schaatsen behoort," zeide Peter, „en waarin Griete ze kan bewaren. Mevrouw De Bruyn hoorde, dat we hier aangingen, en heeft ons verzocht, het mede te nemen."

Vader, moeder en kinderen bekeken met alle aandacht het fraaie foedraal, dat van binnen niet roode zijde gevoerd en zeer elegant gemaakt was.

„O, hoe mooi! Hoe prachtig! Nooit heb ik zoo iets gezien!" waren de verschillende uitroepen.

Griete echter sprak geen woord. Het lieve kind kon maar niet begrijpen, dat al dat moois voor haar was. Het kistje was van mahoniehout met een prachtig koperen plaatje er op, waarop de naam van den fabrikant en zijn woonplaats stonden. „Nu, Griete, je mag de jongeheeren wel bedanken voor de moeite, welke zij zich hebben gegeven, om dat hier te brengen, en hun verzoeken, of zij ook mevrouw De Bruyn je dankbaarheid willen betuigen; ofschoon — dat zul je later zelve nog wel gaan doen," zeide vrouw Blinker.

Griete was heel verlegen, maar toch lispte zij:

„Ik dank u wel, jongeheeren, voor uw moeite."

„'t Schijnt mij door mijnheer Birmingham gemaakt te zijn," zei Hans, die het op het koperen plaatje gelezen had.

Sluiten