Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hen weghaalde. Maar die boosheid moest vanzelf overgaan en wie er nu wel eens boos is, is de koetsier, die dokter Brinker rijdt, als hij in den omtrek van Broek moet wezen: want als de dokter daar is, rijdt hij bij zwager Van Bree aan, en, of 't koud is of niet, als hij daar is, laat hij de paarden zoo ongehoord lang wachten, dat de koetsier wel eens de vrees geuit heeft, dat zij met hun pooten aan den grond mochten vastvriezen. En als Griete eens met haar kindertjes in Amsterdam komt logeeren, dan is 't een feest bij de oude lui aan huis, dan is 't of vader Rolf weer jong is, dan speelt hij met die kleinen en dan zegt moeder, terwijl zij in de handen slaat: „Zie me zoo'n man eens aan!"

Van al onze Broeksche vrienden is er slechts één, die het tooneel dezer wereld verlaten heeft: 't Is Jacob Poot. Tot zijn dood toe even goedhartig en onbaatzuchtig, wordt hij nog even hartelijk betreurd, als hij bemind was, toen hij op aarde beminde en lachte. Vóór hij stierf, was hij broodmager geworden, nog magerder dan Benjamin Bobbs, die nu een gezeten Engelschman is.

En wanneer gij ooit te Broek komt en gij krijgt er toegang tot de familie De Bruyn, spreek dan eens over de hardrijderij van den 30sten December, dan zal de oude mevrouw u met glinsterende oogen verhalen, hoe heerlijk die was en hoe er onder de rijderessen zich een klein meisje bevond, dat zóó snel reed en zóó verlegen was, dat ze niet eens het foedraal meenam van den prijs, dien zij gewonnen had, van

„DE ZILVEREN SCHAATSEN."

Sluiten