Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

althans de heden, die er langs gingen, en die er in woonden spraken het niet tegen. Waarom zouden ze ook?

Sinds 179o, toen de schoone mevrouw Dorothea Lamprecht in dien zijvleugel was bevallen en aan de gevolgen overleden, was er nog geen dienstbode bij de familie geweest, die niet ten minste een enkelen keer een lang wit nachtgewaad door de lange gang had hooren slepen, en bijna gedwongen was geworden, halfdood van schrik plat tegen den muur te gaan staan, om de lange,, magere «zalige» in haar spookachtig kleed voorbij te laten gaan. \ andaar dan ook, zoo besloot men, dat daar nooit meer iemand boven in huis sliep.

hen eedbreuk moest oorzaak zijn van dat spoken.

Justus Lamprecht, de overgrootvader van het tegenwoordige hoofd der familie, had zijn stervende vrouw, Judit, plechtig en

onder eede beloofd, dat hij haar geen opvolgster zou geven

om de twee knapen beweerde zij; maar het was niets anders dan brandende jaloerschheid, die haar de gedachte ondragelijk maakte, dat ooit een ander op de plaats naast haar man zou zitten, waar zij gezeten had. Mijnheer Justus had echter een verliefd gestel en zijn mooie pupil, die bij hem inwoonde, niet minder. Al moest zij met Justus in de hel terecht komen, het kon haar niet schelen, maar trouwen wilde zij hem, wat ook de jaloersche doode had verlangd. En ze hadden dan ook samen geleefd als twee tortelduiven, tot de schoone mevrouw Dorothea in een der prachtig ingerichte bovenkamers aan de oostzijde van het groote huis te bed ging- liggen om spoedig een lief, klein dochtertje in hare armen te zien. Justus Lamprecht had gezegd dat hij de gelukkigste man van de wereld was.

Maar het was een zeer barre en strenge winter, en juist in den kerstnacht, toen alles buiten hard bevroren was, werd, bij het slaan van het middernachtsuur, de deur van de kraamkamer langzaam van buiten opengedaan en de «zalige» was naar binnen gezweefd, of zij door een grauwe wolk gedragen werd. En die wolk, die gedaante met het afgrijselijke hoofd met de doodsmuts getooid, alles was door de zijden gordijnen van het ledikant heengedrongen en had zich vastgeklemd boven op den boezem der jeugdige kraamvrouw, als wilde het haar hartebloed uitzuigen tot den laatsten droppel toe. De baker was geheel verlamd van schrik, het was haar, of zij in een ijskelder zat, zooveel koude spreidde die akelige wolk om zich heen; half bewusteloos bleef zij zitten op haar stoel, totdat het geluid van het schreiende kind haar weer in het leven terugriep.

Sluiten