Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tante Sofie begon te lachen en tegelijk klonk er een lachende mannenstem. Onmiddellijk achter den bokkenwagen was er een jongmensch de plaats opgekomen, een knap negentienjarig jongeling, de zoon van de deftige dame, haar eenig kind, want zij was de tweede vrouw van den landraad en stiefmoeder van de overledene mevrouw Lamprecht. De jongeling had een pak boeken onder zijn arm en kwam van het gymnasium.

De kleine meid zag hem aan met een boozen blik. „Gij behoeft niet te lachen, Herbert !" bromde zij, terwijl zij de leidsels weer opnam, om de bokken naar den stal te brengen.

„Zoo, ik zal 't onthouden, hoor, mijn kleine dame. Maar zou ik wel eens mogen vragen, hoe het staat met het schoolwerk? Ik denk dat de jonge juffrouw bij de blauwbessen bitter weinig om de I-ransche les zal gedacht hebben en ik zou wel eens willen weten, hoeveel vlekken er van avond weer op het schrift zullen worden gemaakt, als alles zoo haastig moet worden afgewerkt.

Geen een! Ik zal er best op passen, al was het alleen om u te plagen, Herbert!"

„Hoe dikwijls moet ik u toch zeggen, ondeugend kind, dat gij uw oom geen Herbert moogt noemen?" riep grootmama driftig.

„Och, grootmama, dat kan immers niet, al is hij ook tien malen de zwager van papa! antwoordde de kleine en schudde onwillig de kleine krullebol. „Wezenlijke ooms moeten oud zijn en ik weet nog heel goed, dat Herbert met de bokken heeft gereden en dat hij met ballen en steenen ruiten kapot heeft gegooid. De dokter, ik weet het nog best, had hem verboden, vruchten te eten en hij had toch maar altijd zijn zak vol pruimen — ja, ja, het heugt mij heel goed. En nu is hij immers nog niets anders dan een schooljongen, die met zijn boeken onder den arm over de straat gaat. Stil, Hans! geduld. Wacht een beetje 1" bromde zij tegen de bokken en hield de teugels strak.

Onder die luid gesproken en onbarmhartige kritiek uit kinderlijken mond was de jongeling donkerrood geworden. Hij glimlachte, maar het kostte hem vrij wat moeite. „Zeg, neuswijs ding, denk maar eens aan de roede," mompelde hij tusschen de tanden, terwijl hij een verlegen blik op het tegenoverliggende pakhuis sloeg.

De een beetje voorover hangende houten balustrade, die langs de vensters liep der bovenste verdieping van het oude huis, was ten deele begroeid door de overal hoog oploopende slingerplanten. Hier en daar zag men tusschen het groen openingen, ter toelating van licht en lucht. Door een van die kleine, als boogvormige

Sluiten