Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het paard op den grond vielen. Het paard maakte een lichten sprong, maar de ruiter klopte het dier gerusstellend op den fleren hals en reed verder de plaats op. Met een zeldzaam starenden blik, die noch te rechter, noch ter linkerzijde zag, nam hij langzaam den hoed af. Zonder er eenige acht op te slaan, reed hij over de bloemen heen, ja, hij had niet eens even naar boven gekeken toen de rozen voor hem nedervielen. Mijnheer Lamprecht was een hoogmoedig man en de gade van den landsraad vond het hoogst natuurlijk, dat hij zich in het geheel niet bekommerde om de lieden, die in het achterhuis woonden.

De kleine Grete scheen daar echter anders over te denken. Zij liep naar het pakhuis en raapte de bloemen op. „Maakt ge een krans, Juffrouw Lenz ?" riep fcy naar boven. „Daar zijn een paar rozen gevallen. Wil ik u die toegooien of even boven brengen ? Ja ?"

Er volgde geen antwoord. Het jonge meisje was verdwenen. Misschien was zij geschrikt, toen het paard voor de rozen op zij sprong en had zij zich uit angst voor een ongeluk verscholen.

Mijnheer Lamprecht steeg van zijn paard ; hij stond dicht genoeg er bij, om te hooren dat zijn schoonmoeder op verwijtenden toon tot tante Sofie zeide : „hoe komt Grete op zoon'n familjaren voet met die lui daar achter ?"

„Familjaar, daar weet ik niets van. Ik geloof niet, dat het kind ooit een voet heeft gehad op de trap van het pakhuis. Dat is niets dan haar goede hart, beste mevrouw. Grete is dienstvaardig en behulpzaam voor iedereen: dat is de ware beleefdheid en ik heb die honderd malen liever dan het fatsoen van zulken, die vol complimenten zitten voor het uiterlijke, maar die in hun hart lomp en grof voor andere menschen zijn .. . Mogelijk is het ook, dat het kind een bijzonder behagen heeft in het schoone — ik moet zeggen, bij mij is dat ook het geval en mijn hart juicht in mijn binnenste, als ik dat mooie meisje daar boven voor het venster aan het werk zie."

„Dat is een quaestie van smaak," zei de deftige dame onverschillig, maar een weemoedige trek overtoog haar gelaat en ze sloeg een half angstigen blik op haar zoon, die alsof hij het voelde, het hoofd hoe langer hoe dieper heenboog over het schrijfwerk van Reinhold. „Ik heb nooit zooveel met het blonde opgehad," liet zij er met zachte, gedempte stem op volgen. Overigens heb ik natuurlijk niets aantemerken op de voorkomendheid van Grete. Integendeel, het doet mij pleizier, dat zij ook beleefd wezen kan. Ik voor mij behoor niet tot dezulken, die in

Sluiten