Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

.,Een woordje, Boudewijn ?" had de vrouw van den landraad gezegd, en sinds mijnheer Lamprecht de eer had haar schoonzoon te zijn, hadden haar wenschen voor hem steeds gegolden voor bevelen. Nu dus ook. Hij zag er wel eens knorrig uit en had graag den verwenden papegaai, die door een onophoudelijk en akelig krijschen tegen zijn drager opkwam, den nek omgedraaid, maar daar merkte de deftige dame niets van, te minder, omdat juist op het rechte oogenblik een dienstmeisje verscheen, dat den standaard met den papegaai opnam en naar boven droeg.

Zoo ging de niets kwaads vermoedende, teedere en zwakkelijke vrouw, gracieus als altijd, naast haar schoonzoon. De kanten banden van haar klein mutsje fladderden in den wind en de zware sleep van hare donkere zijden japon ruischte met voorname deftigheid langs den grond.

De breede steenen trappen waren vrijwat afgesleten. Twee eeuwen lang was al wat het huis vreugdevols en droevigs had ondervonden langs die trappen op en neer gegaan. Bruiloften en doopplechtig-

heden — bals en diners — ook de laatste tochten der afgestorvenen

alles wat de hoofden en harten van de elkander opvolgende geslachten in beweging had gebracht — het was alles voorbij — genoten of betreurd — alleen de sporen, die de voeten in de steenen trappen hadden achtergelaten, waren gebleven.

hn nu beklom de kleine, deftige dame, met de sierlijke goudleeren schoenen, trap voor trap, om bevrijd te worden van een zorg, die haar hart beklemde en die, duidelijker dan haar lief was, op haar gelaat te lezen stond.

De woning van mijnheer Lamprecht, dicht bij de trap gelegen, bestond in een reeks vertrekken op de tweede verdieping. Achter de kamers, naar de zijde van de plaats, was een gang, in de wandeling de steenen zaal genoemd, om de uitgestrekte lengte en breedte, die er aan herinnerden, hoe verkwistend men in vroegere dagen met de ruimte te werk kon gaan. De gang eindigde achter de laatste kamer, de roode salon, daar boog zij om den hoek van den oostelijk aangebouwden zijvleugel en liep, al smaller wordend, tot de sterfkamer van mevrouw Dorothea, waar de schemerige ruimte haar karig licht ontving door een klein hoog vensterraam bij een trap, waardoor men naar het pakhuis afdaalde.

In de steenen zaal zag men ouderwetsche bekers en kannen

Sluiten