Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoogmoed zou op elk ander gelaat iets stijfs, iets versteends hebben gelegd, maar het vurig bruisende bloed nam hier al dat stijve weg. Dat bloed deed de oogen fonkelen als van een ontembare woestheid, terwijl het tegelijk een lachje, dat van een zacht verlangen sprak, om de lippen te voorschijn riep; het joeg een stroom van driftigen toorn door de aderen van het voorhoofd en kleurde de wangen met de bleekheid eener smartvolle ziel. Bij de laatste woorden der schoonmoeder sloeg hij die fonkelende oogen naar beneden. Hij zag er uit alsof hij al den steun van zijn binnenste, het hoogmoedig zelfvertrouwen, het bewustzijn van een rijk bezit, inwendig voor zich zelf, uitwendig ook voor de wereld, geheel had verloren — ja, hij stond er als een ondeugende bestrafte schooljongen en met gebogen hoofd beet hij zich de lippen aan bloed.

„Nu, Boudewijn," klonk de stem der deftige dame, die zich voorover boog om te zien, hoe of het zoo stil bleef daar achter dat gordijn. „Doet het u geen pleizier, dat men aan het hof zich zoo gunstig over u uitlaat ?"

Het ruischen van het gordijn dempte het geluid van den diepen zucht, waarmeê hij weer in de kamer kwam. „Het komt mij voor dat de hertog die deugd liever in een ander bewondert, dan zelf beoefent, hij heeft zijn tweede vrouw," zei hij op bitteren toon. r

„Om Gods wil, Boudewijn, wat durft gij te zeggen!" riep de oude dame vol ontsteltenis. „Laat ons God danken, dat wij hier alleen zijn. Deze wanden hebben toch geen ooren, hoop ik. Boudewijn, ik vat niet, hoe gij u die kritiek durft veroorloven," liet zij er met droevig hoofdschudden op volgen. „Dat is immers een heel ander geval, de eerste gemalin van den hertog was een zeer ziekelijke vrouw —"

„Och mama, maak u niet driftig, ik spreek er liever niet meer over."

„Nu ja, er niet meer over spreken," zei ze hem na. „Gij hebt mooi praten ! De verzoeker zal u wel voorbijgaan, zonder macht op u te hebben. Na Fanny zou het u natuurlijk onmogelijk zijn ook maar een oogenblik aan een andere vrouw te denken. Hertogin Frederika daarentegen —"

„Was boosaardig van karakter en leelijk bovendien," viel hij zijn schoonmoeder in de rede, om op die manier het onderwerp op vreemd terrein te houden.

Weer schudde zij afkeurend het hoofd. „Ik voor mij zou mij dergelijke uitdrukkingen nooit veroorloven — de glans en het

Sluiten