Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kringen voldoet dan gij, en ik kan mij niet herinneren, dat gij daar door tegenspraak de aandacht hebt getrokken."

Op deze scherpe en welverdiende berisping zweeg mijnheer Lamprecht. Hij keek naar eene schilderij, waar hij bij stond, eu vroeg eindelijk: „maar wat hebt gij eigenlijk tegen Herbert ?"

„Een laffe, onwaardige liefdesgeschiedenis," antwoordde de oude dame heftig. „Als het niet al te plat was uitgedrukt zou ik zeggen : 'k wou dat die Blanka Lenz in het land zat, waar de

peper groeit Dat schepsel staat daar elk oogenblik voor

haar venster, om naar het pakhuis aan den overkant te kijken t .h-n gisteren gooit de wind mij op de trap een rose papier voor de voeten; ik zie het in, het was vast uit de schrijfportefeuille van den verliefden jongen gevallen — een gloeiend sonnet aan ülanka ! t Is om razend te worden van spijt!"

Mijnheer Lamprecht stond nog met den rug naar zijn schoonmoeder gekeerd naar de schilderij te kijken, maar daar was een zonderlinge trek gekomen op zijn gelaat. Evenals straks op de plaats ging de rechtervuist op en neer, als wilde hij iemand een pak toedienen met de karwats.

„Bah, zoo n melkmuil !" riep hij, toen zijn schoonmoeder uitgeput van verontwaardiging zweeg. Hij rekte de hooge, schoone gestalte uit en met een vluggen, eleganten zwaai draaide hij zich op de nelen om en kwam zoo vlak tegenover den hoogen spiegel te staan, die hem een hoog rood, met minachting lachend gezicht te zien gaf.

„Die melkmuil is de telg van een voornaam geslacht, verbeet

' ZC' Z'* en vermanen(4 den vinger naar de hoogte. Mijnheer Lamprecht begon hardop te lachen. „Houd het mij ten goede, mama, maar met den besten wil van de wereld kan ik tien zoon van mijnheer den landraad, dien baardeloozen jongen, al is hij ook van nog zoo'n voornaam geslacht, onmogelijk voor gevaarlijk of verleidelijk aanzien."

„Het oordeel daarover dient gij aan de vrouwen over te laten !" hernam de deftige dame, blijkbaar vol ergenis. „Ik heb alle reden om te vermoeden, dat Herbert, bij zijn nachtelijke wandelingen over de plaats, het balkon van deze Julia — "

„Wat — hij zou het wagen !" zoo stoof mijnheer Lamprecht op, en op dat oogenblik was zijn gezicht onherkenbaar door de woedende drift, die er op geteekend stond.

„Wrat spreekt gij van „wagen" tegenover deze verversdochter? Met is of gij gek zijt, Boudewijn !" riep de oude dame boos en sprong met werkelijk jeugdige veerkracht uit haar stoel op. Maar

Sluiten