Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog bruischte haar schoonzoon van toorn en drift, en nu stond hij daar als iemand die zich doodelijk verveelde en wien het eigenlijk niets schelen kon wat zij te zeggen had. Maar het is waar, zij kende hem. Hij kon tusschenbeide zoo grillig zijn... het zou hem thans niet baten, hij moest haar helpen, of hij wilde of niet.

„Ik begrijp volstrekt niet, moet ik zeggen, wat dat meisje zoolang in Thüringen doet," vervolgde zij, „eerst was het, dat zij een week of vier overkwam, om hare ouders te zien en dan weer naar Engeland zou gaan. Daar zijn nu al zes weken om en ik merk er niets van, hoe ik er ook naar onderzoek, dat er eenige toebereidselen worden gemaakt om te vertrekken.... Zulke ouders zijn — ja, het moet er uit, — waard, dat zij een pak slaag kregen. Het meisje leidt hier een leven als in luilekkerland. Den heelen dag zingt zij, of leest zij, of danst zij met allerlei mooie bloemen in het roode haar; de moeder zit haar verrukt aan te kijken en is altijd maar bezig met strijken en plooien, opdat het prinsesje maar goed koket en opgeschikt voor den dag zou komen en er zoo verleidelijk mogelijk uit zou zien.... en om dat armzalige dwaallicht fladdert nu mijn arme jongen — zij moet weg, hoe eer hoe liever Boudewijn !"

De bladen van het kleine boekje ritselden tusschen zijne bevende vingers. „Zou zij in een klooster moeten gaan ?"

„Mag ik u vriendelijk verzoeken, om er nu geen gekhuid over te maken ; de zaak is zeer ernstig. Waar naar toe, dat gaat mij niet aan, ik zeg maar zij moet uit ons huis weg en wel zoodra mogelijk."

„Uit wiens huis, mama ? Ik meende dat wij hier in het huis van Lamprecht waren en niet in dat van mijn schoonvader. Daarenboven, de schilder Lenz woont aan de andere zijde van de plaats,"

„ja, dat is juist het vreemde," viel zij hem in de rede, als had z|] niets van zijne scherpe terechtwijzing gehoord. „Ik kan mij niet herinneren, dat er ooit iemand in dat pakhuis heeft gewoond."

„En nu is het toch bewoond, mama," zei hij en wierp het boekje onverschillig op de tafel.

Zij haalde de schouders op. „Helaas ja ! Het is, geloof ik, nog wel nieuw behangen ook ! Ik vind dat gij uw werkvolk nog al verwent.".

„Die man is geen gewone arbeider."

„Het is ook wat! Hij beschildert bordjes, pijpenkoppen, weet ik het! Daarom behoeft hij toch de eer niet te genieten van in het huis te wonen van zijn patroon. Was er in Dambach geen plaats ?"

Sluiten