Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

» VÏT. ik een paar ^aar geleden Lenz in mijn dienst nam, stelde hy tot voorwaarde, dat hij in de stad zou mogen wonen. Zijn vrouw lijdt aan een kwaal die spoedige medicinale hulp somtijds onmisbaar maakt.

„Ah zoo ! Zij zweeg een oogenblik en zei toen op vast besloten toon: „daar is mets tegen te zeggen en ik zal ook volkomen tevreden zijn, als die stem maar niet meer over de plaats klinkt en dat heen en weer geloop van het kokette ding uit is. Zulke lui kunnen in de stad genoeg onder dak komen."

„Gij bedoelt, dat ik den man op staanden voet uit zijn huis , y1' — Ja- omdat hij zoo ongelukkig is, een mooie

dochter te hebben ?" Met fonkelenden blik zag hij de oude dame aan en er lag iets zeer sombers in zijn oog. „Zoudt ge niet denken, dat iedereen zal gaan vermoeden, dat er met Lenz iets zou zijn gebeurd, dat niet in orde was ? Mag ik daar de aanleiding toe geven ? Neen mama, dat moet ge u uit het hoofd zetten daar komt niets van." '

„Maar, mijn hemel, daar moet toch iets gedaan worden! Zoo

r»"' Zu,°t mag het niet bliJven" rieP zij op troosteloozen toon. " bllJft er niets anders over dan dat ik zelf naar die menschen ga en gedaan tracht te krijgen, dat het meisje weg wordt gestuurd. Al moet het mij ook wat geld kosten, dat heb ik er wel voor over."

„Zoudt gij dat inderdaad willen doen ?" — Daar lag iets zeer " ontstelds in zijn klanklooze stem. „Zoudt gij u zoo belachelijk willen aanstellen? En bovenal, zoudt gij, door zulk een stap te doen, mij als patroon een dwaas figuur willen laten maken ? Mag men gaan gelooven, dat het wel én wee van mijn werkvolk in eenig verband staat met uw bijzonder belang? Dat zal nooit gebeuren — " hier hield hij stil, want hij voelde wel, dat hij voor een fijn damesoor wat al te driftig begon te worden. „Altijd is het mij een genot geweest, dat mijn schoonouders in mijn huis wilden wonen," liet hij er op volgen, en nooit heb ik eenige de minste aanmerking gemaakt op hun doen en laten, ik heb met de meeste zorg gewaakt, dat de u toegestane rechten nimmer zouden worden gekrenkt. Maar daar staat tegenover, dat ook niemand een hand mag uitsteken, naar wat mijne rechten zijn. Houd het mij ten goede, lieve mama, dat ik op dit punt geen scherts versta; ik zou integendeel heel onaangenaam kunnen worden, en dat zou voor beide partijen jammer zijn."

„Gij windt u noodeloos verschrikkelijk op, mijn waarde schoonzoon,' antwoordde zij koel en met een deftig afwerende beweeinevan de linkerhand.

Sluiten