Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„In den grond van de zaak is het niets als een gril van u, om zoo hardnekkig mijn verstandig verzoek af te slaan. Ik weet zeker, dat het u morgen misschien volkomen onverschillig zal zijn, of de verver Lenz onder uw dak woont of niet. Zoo ver ken ik u wel. Het spreekt vanzelf, dat ik de toegevende partij zal dienen te wezen. Voorloopig ben ik dus gedwongen altijd op mijn post te zijn en mij geen oogenblik rust te gunnen —

„Wees op dat punt gerust, mama. Gij hebt geen trouwer bond^if*100!/ ^an m^\. ze'de hij, weêr met dien minachtenden lach. „Met die nachtelijke wandelingen en verliefde sonnetten zal het uit zijn — dat verzeker ik u! Ik zal den knaap geen oogenblik uit het oog verliezen, laat dat maar voor mijn rekening."

Buiten de kamer werd een deur met veel gedruisch open gemaakt en daar trippelden voetstappen in de steenen zaal

„Mogen wij binnen komen, papa?" klonk het stemmetje van Grete, die ongeduldig tegen de deur tikte.

Mijnheer Lamprecht deed zelf de deur open en liet de beide kinderen binnen. „Nu wat is er te doen ? Het gebak hebt gij gisteren opgegeten, kleine lekkerbekken; daar is niets meer in het snoepkastje."

„Och, papa, daar komen wij ook niet om. Er is vandaag koek

henprlpn " «7#=»i A** i t*__, c- n "

^ niciu. „ i ante sone zou graag den

sleutel hebben — den sleutel van de kamer achter in de donkere gang, die altijd gesloten is. — "

„En waar de vrouw uit het roode salon soms uit zit te kijken naar de plaats," voegde Reinhold er bij.

„Wat is dat nu voor een gekkepraat? Wat zou dat met die vrouw in het roode salon ?" riep mijnheer Lamprecht op barschen toon, zonder dat hij toch een zekere beklemdheid niet geheel wist te verbergen.

PaPa; dat zegt de domme Barbe maar zoo, die is zoo verschrikkelijk bijgeloovig," antwoordde Margaretha en begon tegelijk te vertellen van de groote bouquet in het verbleekte gordijn, dat opeens open was gemaakt, en van de sneeuwwitte vingers en het voorhoofd met de lichte haren. Tante Sofie, zoo vertelde zijverder, had gezegd dat het de zon was OrPU.'F»f»ct mmf

i. 1 . • — — ii Kien uai was

Istrekt met waar — en mijnheer Lamprecht nam het boekje weer ln de nan<ien om het op een boekenrekje te zetten.

„Welzeker was het de zon, die gij op de gordijnen hebt zien schijnen. Tante Sofie heeft gelijk," zei mijnheer Lamprecht, terwij hy zich naar Margaretha keerde. „Denk er maar eens over na, kleine wijsneus," en hij tikte haar met den vinger tegen het

Sluiten