Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den weg zijn geweest: de deuren zijn daar allen op slot, dat weet ik natuurlijk, omdat ik de sleutels bewaar. Of denkt ge soms, dat iemand door dat kleine raampje vliegen kan ?"

Met schijnbare kalmte nam hij haar bij de hand en voerde haar bij een raam in de steenen zaal. Hij haalde zijn zakdoek voor den dag en veegde haar de tranen, die schrik en pijn hadden doen vloeien, van de wangen — op eens stond er innig medelijden op zijn gezicht te lezen. „Vindt ge nu zelf ook niet, dat gij een klein gekkinnetje zijt geweest?" vroeg hij en boog zich voorover, om haar in de oogen te zien.

Met hartstochtelijke drift sloeg zij de armen om zijn hals. ,,Ik houd zooveel van u, papa, o, zooveel!" betuigde zij uit den vollen rijkdom van haar vriendelijk kinderhart en drukte haar kleine gezichtje tegen zijn wang... „Maar gij moogt niet gelooven dat ik gejokt heb... ik heb niet geschreeuwd — zij deed het. Ik dacht, dat het Emma was en wilde haar voor hare plagerij eens beet hebben. Maar Emma heeft zulk lang haar niet, dat bedenk ik nu, en mijn hand riekt nog naar rozenolie, omdat ik de lange vlecht heb vastgehouden — het heele meisje rook naar de geurigste rozen — Emma was het niet papa... door dat kleine raampje, neen, daar kan niemand door vliegen, maar misschien stond de deur wel open van de trap, waardoor men in het pakhuis komt...

Onder haar spreken had hij driftig haar handjes, die om zijn hals gevouwen waren, losgemaakt en nu begon hij luidkeels te lachen, maar niettegenstaande dat lachen lag er op zijn bleek gelaat een zoo scherpe uitdrukking van kwaadaardige boosheid, dat de kleine onwillekeurig achteruitweek.

„Ge zijt een ondeugend, koppig schepsel !" schold hij en de rimpels in zijn voorhoofd werden hoe langer hoe dieper. „Grootmama heeft wel gelijk, gij groeit te veel in het wild op. Om gelijk te hebben raapt gij de zotste leugens op... Wie zou zoo dwaas zijn en verstoppen zich in een rommelkamer tusschen ratten en muizen, alleen om een gekkin als gij zijt te plagen... Maar ik weet het wel, gij zit te veel in de keuken en luistert daar naar al de oudenwij venpraatjes, die de meiden en de knechts onder elkander houden, daar komt het alleen van daan, dat gij zulke onzinnige dingen droomt en dan later vertelt, of zij werkelijk gebeurd waren. Daarenboven zijt gij zoo wild als een jongen en tante Softe gaat veel te zwak met u te werk. Grootmama heeft mij al lang verzocht, aan dat alles een eind te maken, en dat zal nu ook gebeuren, zoo spoedig mogelijk. Als gij eens een paar jaren onder vreemde oogen zijt zal het wel beter worden."

Sluiten